Een paar weken geleden werd André geinterviewd voor het programma Mens & Missie van Groot Nieuws Radio. Terugluisteren? Dat kan!

André Kamphuis vertaalt de Bijbel in Tanzania: ‘Ja dit is het!’

Het interview ging niet alleen over het bijbelvertaalwerk in Tanzania, maar vooral over ons persoonlijke verhaal: de persoon achter de missie. Ik vond het best spannend om voor het eerst live op de radio te zijn, maar Maurits is een goede interviewer en maakte het me makkelijk.

 


André Kamphuis woont ruim 11 jaar in Tanzania met zijn gezin. Hij werkt daar samen met zijn vrouw Dorien voor Wycliffe Bijbelvertalers. Dat had hij zelf ook niet gedacht toen hij als 16-jarige jongen al succesvol ondernemer was. Hoe dat dan toch gebeurde vertelde hij vrijdagochtend aan Maurits Reijnoudt in Mens en Missie.

‘Laat het iets voor anderen zijn’

Als jonge scholier in Kampen had André een succesvol computerbedrijf, en school was eigenlijk bijzaak. Tot hij op een dag een preek hoorde in zijn kerk over zonde en egoïsme: “Ik zag opeens haarscherp dat mijn hele succesvolle leventje één groot zelfgericht iets was geworden. En dat wilde ik niet. Op dat moment heb ik alles opgezegd en tegen God gezegd: Wat ik ook mag doen, laat het alsjeblieft iets zijn voor anderen.”

Ondertussen leerde hij zijn klasgenoot Dorien beter kennen, die al langer een roeping had naar Afrika te gaan. Ze kregen verkering en tijdens hun studietijd besloten ze naar een oriëntatieweek van Wycliffe in Engeland te gaan. André: “Ik herinner me nog heel goed het einde van die week. Ons werd gevraagd of we in de loop van de week het gevoel hadden dat God ons inderdaad tot het punt bracht dat we zoiets hadden van: Heer hier ben ik, ik wil me inzetten voor uw Koninkrijk door de Bijbel te gaan vertalen. Dorien en ik dachten toen allebei: ja dit is het!”

Afrikaanse bril

Inmiddels wonen ze elf jaar in Tanzania met hun drie kinderen. In het vertaalcentrum werken ze aan het Nieuwe Testament in acht kleine, vitale talen. Dat zijn talen die door een kleine groep mensen gesproken wordt (de kleinste groep bestaat uit 12.000 mensen), maar die zeer waarschijnlijk de komende twintig tot dertig jaar gesproken blijft worden. André: “Het vertalen van het Nieuwe Testament duurt gemiddeld 10 jaar, dus dan is het belangrijk dat zo’n taal blijft bestaan.”

Vaak is de Bijbel het eerste boek dat die mensen in hun taal hebben. “Dat is een totaal nieuwe ervaring voor ze. En dat creëert ook draagvlak om meer Bijbelboeken te vertalen.” Het is namelijk een flink proces, dat vertaalwerk. Voor het vertalen kan beginnen moet er soms zelfs eerst een eigen alfabet ontwikkeld worden, en na dit taalkundig onderzoek moeten de vertalers zelf getraind worden. “Voor iedere taal werken we met twee vertalers. Zij zijn vloeiend in hun eigen taal en spreken ook Swahili, van waaruit de Bijbel vertaald wordt. Als taalconsulent kijk ik met ze mee of het dichtbij de bedoeling van de originele Griekse tekst blijft.”

Dat levert soms mooie vertalingen op. André: “Vertalers van één van onze taalgroepen waren op zoek naar een vertaling van het woord ‘berouw.’ Ze kwamen met een vertaling die in het Nederlands lijkt op ‘je zonde uitbraken.’ En dat bleek een goede keuze te zijn, want wat er gebeurt met berouw is dat je ergens spijt van hebt en er afstand van wilt doen. Dat gebeurt niet alleen van binnen, maar ook fysiek. Een hele krachtige, beeldende uitdrukking. Zo heb ik zoveel nieuwe dingen in de Bijbel ontdekt door er met een Afrikaanse bril in te lezen!”

Luister hier het hele gesprek met André Kamphuis terug:

Lieve mensen,

Misschien staat het nog in uw agenda:

“Dinsdag 19 mei: Achterban-avond André en Dorien”

De achterban-avond kan nu natuurlijk niet doorgaan. We hopen dat het in het najaar weer kan.

Wat we wél graag willen doen is een informeel online contact-moment van ongeveer 3 kwartier waarin we u kort even bijpraten, en de tijd nemen om uw vragen te beantwoorden.

Dus… maak uzelf een kop koffie of thee met een stroopwafel, en kom volgende week even bij ons “op de koffie”!

Wij zitten dinsdag 19 mei om 20:00 uur klaar.

Mail ons gerust alvast uw vraag, dan beantwoorden we die sowieso. Tijdens de uitzending kunt u ook uw vraag stellen in de chat naast de video.

U krijgt een dag van tevoren een link naar onze YouTube Live Stream. Tot dan!

Hartelijke groet,
Dorien en André Kamphuis

Het ging snel. Op donderdag horen dat je het land uit moet en vrijdagmiddag al vertrekken. Het ging zo snel dat we amper tijd hadden om goed afscheid te nemen. Nu we in Nederland zijn, en eerst sowieso 14 dagen in quarantaine zitten, proberen we alles rustig een plekje te geven.

Wat er van dag tot dag gebeurde….

Eerste week van maart

We lezen op de NOS app het nieuws over de coronavirus. Eerst in China, later in Italië, en uiteindelijk ook in Nederland. Tanzania voelt als een veilige plek, ver weg van de besmettelijke virus. We leven mee met onze familie en vrienden in Nederland. We horen hoe iedereen steeds bezorgder klinkt. Daar is in Tanzania nog helemaal geen sprake van. Pas als ik hoor over de eerste coronabesmetting in het Veluwse dorp waar mijn oude moeder woont, komt het pas dichtbij. Maar na een telefoontje met een opgewekte moeder, verdwijnt ook dat gevoel weer naar de achtergrond.

Maandag 9 maart

We krijgen een e-mailtje van onze directeur in Tanzania dat we goed onze handen moeten wassen. Hoewel er nog geen coronagevallen bekend zijn, is het niet onmogelijk dat het ook in Tanzania komt (of al is).

Woensdag 11 maart

We krijgen bericht van de Rift Valley Academy in Kenia dat de school vervroegd dicht gaat. Het plan is om binnen een paar dagen alle leerlingen thuis te krijgen. Michaja moet dit weekend al naar huis.

Vrijdag 13 maart

André zit in de auto om Michaja op te halen. Na tien uur komt hij bij de school aan. Michaja heeft al haar spullen (bijna) ingepakt en we vertrekken de volgende morgen vroeg. Michaja is al snel over haar eerste schok heen en ziet al uit naar een paar extra weekjes thuis in Musoma (met haar dieren!). Zodra we thuis zijn, horen we dat Kenia haar eerste coronabesmetting heeft en de grenzen voor niet-Kenianen uit besmette landen sluit.

Maandag 16 maart

De Tanzaniaanse overheid maakt bekend dat de eerste coronabesmetting in Tanzania is vastgesteld. De minister maant iedereen tot kalmte. Maar de zorgen zijn al groot. Zeep is binnen een dag overal uitverkocht en we zien de eerste mondkapjes op straat.

We vieren Elisa’s verjaardag. Zonder cadeautjes dit jaar, want onze bezoekers die haar cadeautjes zouden meebrengen hebben hun reis naar Tanzania moeten afzeggen.

Dinsdag 17 maart

De volgende dag worden alle SIL expat zendingswerkers in Tanzania en Kenia bij elkaar geroepen voor een videovergadering via Zoom. We horen dat de situatie begint te verslechteren en dat er mogelijk al snel reisbeperkingen komen. Ook is duidelijk dat ons medische back-up plan niet meer werkt, omdat de Flying Doctors geen coronapatiënten vervoeren en we de grens bij Kenia niet meer over kunnen. Als we in de komende maanden medische hulp nodig hebben, zullen we het in de buurt moeten vinden. De boodschap van onze organisatie is duidelijk: overweeg goed of jullie in Tanzania willen blijven. Uitstel van vertrek kan betekenen dat je straks niet meer kunt vertrekken.

Iedereen overlegt koortsachtig over wat te doen. Aangezien we toch al op verlof zouden gaan, besluiten we om eerder naar Nederland te gaan. De kinderen horen geschokt aan dat we nog maar een week in Musoma zullen zijn. Ze hadden nog zoveel willen doen! Dorien begint de koffers met kleren in te pakken. We hebben tickets voor volgende week dinsdag, 24 maart. Een week voelt véél te kort om zo snel afscheid te nemen!

Woensdag 18 maart

Nog een paar nieuwe coronabesmettingen in Tanzania. Er leven veel vragen over hoe lang reizen binnen Tanzania nog mogelijk blijft. Via Kenia kunnen we het land niet meer uit. Met de auto naar de Tanzaniaanse hoofdstad reizen kost ruim twee dagen, dus we zijn vooral afhankelijk van een binnenlandse vlucht. Het is onduidelijk hoelang die vluchten nog in de lucht blijven.

Donderdag 19 maart

We krijgen bericht dat we onmiddellijk ons moeten klaarmaken voor verplicht vertrek. Alle expat zendingswerkers moeten op de eerst mogelijke vlucht het land verlaten en terugkeren naar het land van herkomst. We worden even overvallen door paniek. We dachten dat dinsdag al snel was, maar nu nóg sneller inpakken en wegwezen?! Die avond pakken we onze koffers in, slordiger en vlugger dan ooit.

We proberen tickets te regelen voor een eerdere vlucht. Veel vluchten zijn al uitgevallen. Ook onze vervoegde KLM-vlucht op dinsdag is al geannuleerd. De meeste andere vluchten zitten vol. We slagen er toch in om tickets te regelen om thuis te komen. Onze vlucht vertrekt zondagmorgen vroeg.

We vertellen onze tuinman en huishelp dat we verplicht het land moeten verlaten. Ze kijken ons geschokt aan. De kinderen maken nog filmpjes van hun drie honden, poes, konijntjes, geiten, kippen en schildpadden. Ze mogen alle drie hun rugzak inpakken. Om 11 uur vallen we uitgeput in slaap.

Vrijdag 20 maart

De volgende morgen wegen we elk van onze vijf koffers en zetten ze buiten klaar. We roepen onze bewakers, tuinman en thuispersoneel bij elkaar en bespreken hoe we het gaan doen. De komende tijd, wie weet voor hoe lang, zullen zij om de beurt op ons huis passen en voor alle dieren zorgen. We geven hen alvast hun salaris voor de komende twee maanden en beloven dat we ons best doen om vanuit Nederland geld te sturen voor de maanden erna. We bidden met elkaar en maken nog een foto. Het is een vreemd afscheid: goede woorden, tranen, maar geen omhelzing, slechts een onwennige zwaai.

Om half drie parkeert de minibus voor onze poort. We stappen in en de tuinman sluit de poort. Onderweg naar het vertaalcentrum zwaai ik naar de fietsenmaker. Hij weet ervan en zwaait met beide armen. Een brok schiet in m’n keel. Op het bijbelvertaalcentrum staan alle collega’s buiten bij elkaar. Nog nooit hebben wij of zij dit mee gemaakt. Alle expat-medewerkers vertrekken tegelijk. Ik pak snel nog even het oplaadsnoer van mijn laptop uit mijn kantoortje en geef de sleutels aan een collega. Voor we weg rijden, bidt onze teamleider voor ons en voor hen die achter blijven. En daar gaan we dan.

We zwaaien naar Tanzaniaanse collega’s van wie sommigen er over een half jaar niet meer zullen werken. We vertrekken met collega’s van wie sommigen misschien nooit meer terug komen. We weten niet eens wat onze toekomst hier nog is, voor de maanden die nog over zijn tot onze werkvergunning begin volgend jaar afloopt. Net buiten Musoma stoppen we nog een minuutje om afscheid te nemen van vrienden met wie we elf jaar in Musoma hebben gewoond. Het snijdt door m’n hart om zo abrupt afscheid te moeten nemen van mijn beste vriend en zijn gezin.

De volgende 50 kilometer richting het vliegveld van een stad in de buurt zit ik constant met tranen in m’n ogen. Ik realiseer me dat we met 80 kilometer per uur de wereld uitglijden waar we de afgelopen twaalf jaar zo vergroeid mee zijn geraakt. Het voelt alsof we als een frisse boom met wortel en al uit de grond worden getrokken.

Om kwart over tien ’s avonds stappen we met ons team in het vliegtuig naar de hoofdstad. Als we aankomen bij een guesthouse vallen we binnen een minuut in slaap. We zijn uitgeput.

Zaterdag 21 maart

Een dag rust. We zijn vlak bij het vliegveld, maar onze vlucht gaat pas morgenvroeg om kwart voor 4. Deze dag zonder hectiek doet ons goed. We rusten veel en we bellen met verschillende vrienden in Tanzania om hen te vertellen dat we het land moeten verlaten. We krijgen veel lieve berichtjes van vrienden uit Nederland. Er wordt voor ons gebeden! Ook hebben we tijd om afscheid te nemen van onze collega’s die via allerlei vluchten naar alle uithoeken van de wereld zullen uitvliegen. Althans, dat hopen we. De onzekerheid over hoe lang de vluchten nog gaan leeft bij iedereen. We gaan vroeg naar bed om nog een paar uurtjes te slapen voor we aan de laatste drie vluchten beginnen.

Zondag 22 maart

Om kwart voor twee staan we op het uitgestorven vliegveld in Dar es Salaam. Het vliegtuig van Kenya Airways staat al klaar en vertrekt bijna een uur eerder dan gepland. Het vliegtuig zit vol. De meeste mensen hebben mondkapjes voor. In Nairobi wachten we 3,5 uur op onze vlucht naar Parijs. Tot onze opluchting gaat ook deze Air France vlucht nog. Voor het eerst vliegen we in Afrika in een vliegtuig vol blanken.

Ook het vliegveld in Parijs blijkt uitgestorven. We beginnen nu pas te begrijpen hoe Europa in de afgelopen weken veranderd is. Na ruim vijf uur wachten vertrekt onze laatste KLM-vlucht. Een halfvol vliegtuig met mensen die blij zijn dat ze nog naar huis kunnen. Op Schiphol staat Elbert, een vriend uit Bennekom, op ons te wachten en brengt ons naar Lelystad. We zijn blij om onze (schoon)ouders in goede gezondheid te zien. Na een warm kopje thee zoeken we ons bed op. De kinderen slapen al, met hun kleren nog aan.

En nu

Nog nooit kwamen we terug in Nederland zonder veel van onze familie en vrienden in een van de eerste dagen te ontmoeten. Nu gaat alles via berichtjes en de telefoon. Iedereen is vol van de situatie in Nederland en vertelt wat het betekent voor ieder gezin. Het grijpt ons wel aan, het is pittig voor iedereen. Je hoort van steeds meer mensen die ziek zijn en soms niet weten of ze nu wel of niet corona hebben. Anderen sterven.

Het ging snel. Binnen twee dagen verkasten we zomaar van een vertrouwde en veilige plek thuis naar een nieuwe geïsoleerde plek in een land waar een besmettelijke ziekte overal om zich heen grijpt. De eerste paar weken zitten we sowieso thuis. Daarna moeten we nog maar zien wat mag en kan. We zijn dankbaar dat we hier. Een ware gebedsverhoring! Maar het voelt nog heel onwerkelijk.

Ondertussen denken we veel aan wie we achterlieten in Tanzania. We volgen dagelijks hoe de situatie zich daar ontwikkelt. Als het coronavirus daar zich uitbreidt zoals op de meeste andere plekken in de wereld, dan houden we werkelijk ons hart vast. We bidden. We geloven. We hopen.

 

[NOOT: Dit is een wat langere blog waarin ik reflecteer op een ontmoeting die mij als zendeling uitdaagt. Een van mijn professors zei ooit:  “In het Nieuwe Testament werden de theologische discussies voor een groot deel bepaald door missionaire vragen.”  Ik moest aan zijn woorden terug denken na de ontmoeting waar deze blog over gaat. Ik kom regelmatig in situaties terecht die mij als zendeling en theoloog voor mooie en uitdagende vragen stellen, en waar ik niet altijd direct een antwoord op hoef te hebben. Het zoeken naar antwoorden is soms net zo waardevol als het uitkomen bij antwoorden. Leestijd: 5 minuten]

Ze tikte me aan het eind van een begrafenis op m’n schouder. “Hé, ken je me nog?” Ik moest even diep graven in mijn geheugen. Toen herinnerde ik me haar weer. Een jonge vrouw uit een kerkje waar ik regelmatig kwam om te preken. Ze was een alleenstaande vrouw met een moeilijk huwelijk. Ze had een klein kind dat bijna altijd ziek was en gebed nodig had. Zijzelf werd tijdens de diensten nogal eens aangevallen door duistere krachten en ze had veel gebed nodig.

Ze vertelt me nu dat ze verhuisd is en inmiddels nog een kind heeft. Wat ze me daarna vertelt had ik niet helemaal verwacht: Lees verder →

28 september was de dag dat een groep hardlopers in estafetteloop 100km rond de Veluwe liepen.
Beginnend in de kerk en eindigend met een gezamenlijke maaltijd in de Sparrenhof hadden we een mooie, samenbindende en sportieve dag.

Lees verder →

Afgelopen jaren mochten we genieten van het huisrestaurant in Ede/Bennekom. Ook dit jaar doet weer een enthousiast team een poging om een heerlijk diner te bereiden. De opbrengst komt ten goede aan het bijbelvertaalwerk in Tanzania. Lees verder →

Ik was onlangs een zondag in één van de Kabwa dorpen, Mmazami, en preekte over de geweldige opdracht die Christenen hebben om het geloof door te geven aan anderen. Ik merkte dat de woorden uit Kolossenzen 4 impact hadden. “Bid om een open deur,” zei Paulus. “En als er zich dan een gelegenheid voordoet (en daar zorgt God doorgaans graag voor), benut die om het Evangelie door te geven. En doe dat op een wijze manier, helder en vriendelijk.” Het was een boodschap over gebed, evangelisatie en leefstijl.

Wat me iedere zondag weer opvalt is hoe weinig mannen er in de kerk komen. Dat is in de ruim 10 jaar dat we hier werken helaas nauwelijks verbeterd. De kerk bestaat grotendeels uit vrouwen en kinderen. Tijdens de dienst vroeg ik aan de christenen van Mmazami om eens heel goed na te denken waarom de mannen uit het dorp nog steeds grotendeels onbereikt zijn. Hoe kan dat toch?

In het dorp Mmazami zijn vier kerken, en in onze regio in Tanzania heeft bijna ieder dorp er wel twee, drie of nog meer. Er zijn echter ook dorpen waar nog geen kerk is. Toen ik afgelopen zondag met christenen uit het kerkje van Mmazami meeging op een evangelisatie-reis naar een afgelegen dorpje – Magatini – zagen we tot onze verrassing iets heel bijzonders gebeuren: er kwamen bijna alleen maar mannen op de samenkomst af!

Abeli Ayubu, de dominee van het dorpje in Mmazami, voelt sinds begin dit jaar een roeping om een kerkje te beginnen in het dorp waar nog geen kerkje was. Sinds een maand geleden bezoekt hij iedere week het dorp om mensen bij elkaar te brengen en het Evangelie uit te leggen. Inmiddels zijn er voldoende mensen bij elkaar om ’s zondags onder de boom op het dorpsplein een dienst te houden. Deze zondag ga ik mee.

De weg er naar toe … is er niet. Zodra we de zanderige hoofdweg afslaan, rijden we door een savanne-achtig gebied waar grote kuddes koeien en geiten verbaasd kijken naar onze brommende vierwieler (zie filmpje onderaan).

Zonder de begeleiding van iemand die “de weg” kent, verdwaal je hier in een mum van tijd. Kinderen langs de weg roepen “gari gari!” en “mzungu mzungu!”, want de meesten hebben zelden of nooit een auto of blanke gezien. Om 9 uur komen we aan. Onder een lege boom…

De predikant en zijn vrouw doorkruisen het hele dorp om iedereen uit te nodigen die ze in de afgelopen weken gesproken hebben. Al snel druppelen de eersten binnen, en krijgen ze thee en oliebol als ontbijt. Om kwart over 10 hebben we een groepje van zo’n tien mannen en een vrouw. Tijd voor de eerste kerkdienst in Magatini!

De liederen zijn natuurlijk onbekend. Maar de Afrikaanse stijl van het voorzingen van een zin per keer werkt perfect. Binnen een mum wordt er onder enthousiast geklap gezongen over “Onze God die redt!”

Om de paar minuten komt er weer iemand bij en krijgt een plekje op een van de boomtakken onder het plastic zeil. We zijn al snel “compleet” met ruim 20 mannen, twee vrouwen en zeven kinderen. Ik heb zelden met zoveel enthousiasme gepreekt over Johannes 3:16-17: Jezus kwam als Redder naar onze wereld, niet om ons te veroordelen, maar om ons te redden. Ik gebruik het verhaal van de vrouw in Johannes 8 die op overspel betrapt was en door Jezus niet wordt veroordeeld. Het is een verhaal dat aansluit bij hun leefwereld en in concrete vorm laat zien wie Jezus is en waarvoor Hij kwam. Het is geweldig om te zien hoeveel mensen graag bij Jezus willen gaan horen en gered willen worden. We bidden met ze, om geloof en volharding. De komende weken zullen ze verdiepend onderwijs krijgen en zal ook de doop ter sprake komen als zichtbaar symbool dat ze ze nu, dankzij de genade van Jezus, bij de familie van God horen.

Bid voor de jonge gemeente. En bid dat er ook meer vrouwen de weg naar de gemeente zullen vinden. Het is de allereerste kerk in dit gebied waar mannen ruimschoots in de meerderheid zijn.

Iedere gemeente, ook deze, zal op zoek moeten gaan naar mensen die er nog niet bij horen en tot nu toe onbereikt bleven. En zich moeten afvragen: waarom hebben wij die groep nog niet bereikt?

Bid om een open deur!

1-minuut filmpje van de weg naar de kerk:

Dominee Abeli begint de dienst: “Laat het de anderen maar horen dat we hier zijn!”

Dochter van dominee begeleidt tijd van aanbidding:

Tijdens het vertalen van de Bijbel komen we nogal wat “broers” tegen. In veel talen, waaronder het Nederlands, is het vaak niet relevant om te vermelden of het om iemands oudere of jongere broer gaat. In beide gevallen wordt hetzelfde woord gebruikt. Echter, in veel Afrikaanse talen bestaan er verschillende woorden voor “oudere broer” en “jongere broer.” Leeftijd en senioriteit spelen in veel culturen een grote rol, en dat is zichtbaar in de talen die gesproken worden.

Maar wat nu als je als bijbelvertaler niet weet wie de jongste of de oudste broer is? Ik ben momenteel met de Simbiti bijbelvertalers het Evangelie van Johannes aan het vertalen. In Johannes 1:40-41 staat dat één van Jezus’ discipelen Andreas heet, “de broer van Simon Petrus.” Het is Andreas die “zijn broer” vertelt dat hij de Messias heeft gezien en hem bij Jezus brengt.

Een Engelse of Nederlandse vertaler hoeft zijn hoofd niet te breken over wie er nu de oudste is: Andreas of Petrus. Het zal voor de vertaling zelf niet veel uit maken. Maar een Simbiti vertaler zal graag willen weten wie de oudste is, omdat hij dan een natuurlijke uitdrukking kan gebruiken die in één keer de relatie helder maakt. Dus wie is de oudste?

Het Grieks biedt helaas weinig hulp. Een broer is een broer, en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een jongere of oudere broer. Toch lijkt het waarschijnlijk dat niet Andreas, maar Petrus de oudste was. In het Hebreeuws en Grieks wordt in een opsomming de oudste broer doorgaans het eerst genoemd. In alle bijbelverzen in de andere Evangeliën waarin zowel Andreas als Petrus genoemd worden, staat de naam van Petrus voorop. Alleen Johannes is hier de uitzondering, maar dat zou er simpelweg mee te maken kunnen hebben dat Andreas eerder een discipel werd dan Petrus. Toch zou het ook zomaar kunnen dat Petrus altijd voorop gaat omdat hij later de meest invloedrijke discipel van Jezus werd, meer dan zijn – misschien toch wel oudere – broer.

Dus wat ga ik de Simbiti vertalers adviseren om te doen? Een mooie natuurlijke uitdrukking gebruiken die aangeeft dat Petrus de oudste van de twee is? Dat is wat de vertalers gedaan hebben in hun eerste vertaling. Het klinkt goed in het Simbiti, maar we weten helaas niet zeker of het klopt. En onze vuistregel is altijd: “Bij twijfel niet inhalen.” Mocht Andreas nu toch de oudste blijken te zijn, dan hebben we een Bijbelvertaling gepubliceerd waarin een onjuistheid staat. En dat zou onacceptabel zijn.

Gelukkig hebben de Simbiti naast de woorden voor “oudere broer” en “jongere broer” ook een algemeen woord voor “broer”. Dat zouden ze kunnen gebruiken, al zal de vertaling dan wel een beetje aan helderheid inleveren. Het algemene woord voor “broer” wordt namelijk heel breed gebruikt. Zelfs je buren, vrienden, stamleden of landgenoten worden in het dagelijkse spraakgebruik als “broer” aangeduid. Het zal dus vanuit de context van ieder bijbelvers wel duidelijk moet zijn dat Andreas een biologische broer van Petrus is.

Daar gaan we het volgende week over hebben als we dit probleem samen bespreken. Ik ben benieuwd hoe we uitkomen bij een heldere, natuurlijke en correcte vertaalkeuze.

*  Dit vertaalvoorbeeld is overgenomen uit onze laatste nieuwsbrief van juli 2018

Het is twee uur ‘s nachts. Vanwege de hitte slapen we met het raam open. Opeens zitten Dorien en ik rechtop in bed. Buiten gaat de waakhond vreselijk tekeer, en het klinkt alsof meerdere mensen elkaar achterna zitten. “Wezi! Wezi!” horen we. “Inbrekers! Inbrekers!”

Verschrikt kijken we naar buiten en zien onze bewaker met zijn boog rond de auto rennen. Een seconde later schiet iemand langs ons raam en probeert zo snel hij kan over de muur naar buiten te klimmen. Onze bewaker zit hem op de hielen en slaat hem waar hij hem raken kan. De inbreker weet te ontsnappen. De tweede inbreker verdwijnt over de andere muur.

Onze bewaker is nog maar nauwelijks bekomen van de schrik, of er vliegen twee enorme stenen langs zijn hoofd. Hij duikt weg achter een boom en roept naar mij “Leta bunduki bosi!” (“Breng je geweer, baas!”) Buiten de muur maken meerdere mannen zich uit de voeten en verdwijnen in het donker.

Na een paar minuten arriveren onze huisbaas en een buurman. Beiden een flink kapmes in hun hand. Aan het eind van de straat horen we brommers starten en er vandoor gaan. De rust keert weer terug, al bonst ons hart nog in de keel.

We bidden iedere avond samen met de kinderen dat God ons zal beschermen terwijl wij slapen. De kinderen hebben helemaal niets van de consternatie gemerkt. Als we hen de volgende morgen vertellen wat er is gebeurd, danken we God. We voelen ons meer dan ooit dankbaar dat Hij echt onze Bewaker is.