Columns André

INDEX (zie columns hieronder)

  • “Rafiki!” | De Wekker (Februari 2012)
  • Onafgebouwde huisjes | Reformatorisch Dagblad (September 2014)
  • Een dodelijk ongeluk | Reformatorisch Dagblad (November 2013)
  • “Dank u wel, maar ik kan niet lezen” | Reformatorisch Dagblad (November 2014)
  • “Ik ben wit en woon in Afrika” | Doorgeven (Juni 2011)
  • “Dit raakt mijn hart!” | Wycliffe Nieuws (Januari 2010)
  • “Bekering: Je zonden uitbraken” | De Wekker (Februari 2012)
  • “Wilt u straks preken?” | De Wekker (Juli 2017)
  • “Ik heb zo’n zin om te beginnen met vertalen!” | De Wekker (Maart 2012)
  • Een bekentenis | De Wekker (December 2013)
  • Een zendingskerk op het zendingsveld | Reformatorisch Dagblad (April 2013)
  • Roeping | Reformatorisch Dagblad (Augustus 2013)
  • Een bekentenis | Reformatorisch Dagblad (December 2013)
  • Een kinderkistje is altijd te klein | Reformatorisch Dagblad (Februari 2014)
  • Aansprekend zendingswerk | Reformatorisch Dagblad (April 2014)
  • Wietie en Michaja, twee vriendinnen | Reformatorisch Dagblad (December 2014)


“Rafiki!” | De Wekker (Februari 2012)

Het is zaterdagmorgen. Zoals iedere week, tijd om groente en fruit te kopen op de markt. Er is genoeg. Al het fruit is vers en de groenten zijn ’s morgens vroeg vanuit de dorpen naar de stad gebracht. De felrode tomaten zijn voller van smaak dan ik ze in Nederland ooit zal proeven. Samen met de paarse uien, groene papaya’s en gele bananen geven ze de markt een feestelijke uitstraling. De markt is een mooie plek om te zijn, als je er de energie voor hebt. Want even snel boodschappen doen is er niet bij. Daarvoor kennen we teveel mensen. Veel mensen voelen zich een ‘rafiki’, een vriend. En vriendschappen kosten tijd in Tanzania, én geld. Dat was toch even wennen in het begin. In Nederland vragen vrienden elkaar niet snel om geld. In Afrika is het een belangrijk kenmerk van een goede vriendschap, dat je elkaar altijd helpt als je kunt. Een nieuwe vriendschap aangaan houdt verplichtingen in.

“Rafiki!”  Ik draai me om en zie Lucio. Een vriend. We groeten elkaar uitgebreid, praten over de hitte, familie, werk, kerk, en wat al niet. En dan de altijd voorspelbare mededeling:  “Ik heb een probleem.” De verwachtingen zijn vooraf bekend. Ik weet dat hij mij nodig heeft, en hij weet dat ik waarschijnlijk kan helpen. Het is voor hem alleen de vraag of ik het wil. Lucio vraagt niet om iets voor zichzelf. Hij vraagt ons het schoolgeld te betalen voor zijn nichtje. We kennen haar niet, maar Lucio is onze vriend. En dat telt. Vorige maand hebben we 1/3 van het schoolgeld betaald. Lucio moest de rest erbij zoeken. Dat is hem niet gelukt. Blijkbaar is hij afhankelijk van hulp. Schoolgeld moet ieder jaar betaald worden. Eenmalige hulp is vaak geen echte hulp. We denken erover na wat wijs is. Als we kunnen, helpen we graag. Als een vriend.


Onafgebouwde huisjes | Reformatorisch Dagblad (September 2014)

Er staan hier in Tanzania nogal wat onafgebouwde huizen. Ik denk zelfs dat aan de meeste huizen in onze buurt nog steeds wordt gebouwd. Duizenden stenen staan geduldig te wachten om ooit op een dag tot een huis te worden verwerkt.

Jezus zei ooit dat je de kosten goed moet doorrekenen voordat je begint een huis te bouwen. Doe je dat niet, dan zullen mensen je uitlachen omdat je wel aan iets was begonnen, maar het niet kan afmaken. Deze woorden klonken voor mij altijd nogal logisch, maar een gemiddelde Tanzaniaanse bijbellezer snapt niet goed wat het probleem is en waar om gelachen zou moeten worden.

Men denkt: Wie is er ooit in staat om al het benodigde geld bij elkaar te verzamelen voordat de bouw begint? Niemand. En als iemand zijn huis nog niet af heeft, dan komt dat vast doordat hij zijn geld aan belangrijkere dingen moest besteden. Het schoolgeld van de kinderen, of de dokter voor zijn moeder. Wie gaat stenen kopen als zijn kinderen hem thuis aanstaren en vragen: “Papa, waarom mag Neema wel naar school, en ik niet?” Een onafgebouwd huis kan zomaar een symbool van zorgzaamheid zijn, van een vader die zijn prioriteiten op orde heeft.

Het maken en uitvoeren van plannen, lijkt soms een zeldzame luxe te zijn. Zeker in een land waar niets zeker is. Waar je vandaag niet weet of je morgen nog een inkomen hebt, waar de regenseizoenen onvoorspelbaar zijn geworden, en waar je altijd extra geld op zak nodig hebt om de dokter vandaag nog naar je zieke kind te laten kijken. In zo’n land wordt het woord “plan” altijd voorzien van de uitdrukking: “als God het wil”. Het is een gevleugelde uitdrukking geworden, maar het is meer dan een betekenisloze slogan. Men heeft geleerd dat goede plannen geen garantie zijn voor een succesvolle uitkomst. Dat gebeurt alleen als God het wil.

Zendingswerk in Afrika lijkt een beetje op het bouwen aan een huis. Hoe goed en verstandig onze plannen ook zijn, je weet niet of het project af komt. Je weet zelfs niet of je de belangrijkste doelen zult halen. Er kan van alles tussenkomen. Als God het wil.

Geen enkele werker heeft de garantie om bij de voltooiing van het huis aanwezig te zijn en te genieten van het eindresultaat. Maar de bijdrage is relevant en het werk moet met overtuiging en overgave worden gedaan. De architect is een Ander. De werkers vertrouwen Hem en geloven dat het plan waardevol is en hun inzet de moeite waard. Het gaat niet om hen, het is voor Hem!

Zendingswerkers die geen vreugde vinden in het storten van een fundament of het aangeven van ruwe stenen, moeten leren om opnieuw de architect te vertrouwen. Het werk dat zij doen voor Hem is nooit tevergeefs, maar altijd waardevol (1 Korinte 15:58). Hij heeft het plan bedacht en houdt het eindresultaat voor ogen.

Als we zouden kunnen dromen en een blik slaan op het prachtige huis waaraan we mogen bouwen, dan zouden we zien hoe de ruwe steen die we met gekloofde handen aanreikten aan de metselaar, prachtig blijkt te passen in het totaalplaatje. Nu zien we dat nog niet. Maar vertrouwen op de architect betekent geloven dat wat we doen voor Hem, nooit zijn waarde verliest.


Een dodelijk ongeluk | Reformatorisch Dagblad (November 2013)

Het was een week waarin van alles gebeurde. Nieuw vertaalde Bijbelboeken rollen uit de printer. Een dodelijk ongeluk. Een terroristische aanslag.

We vierden feest op het vertaalkantoor. Vijf grote dozen werden afgeleverd, en iedereen wist wat erin zat: Het Lukas-Evangelie in de Zinza-taal. Eindelijk hebben nu alle acht talen in onze vertaalproject een Evangelie in de eigen taal. Iets om te vieren! Een dag later rolden twee grote stapels met het boek Jona uit de printer. Weer twee talen waarin dit boek nu gelezen en begrepen kan worden. Het zijn momenten waarop we dankbaar zijn en vol verwachting uitzien naar hoe God Zijn eigen woorden gaat gebruiken.

We weten het ondertussen uit ervaring: als er iets te vieren valt, gebeuren er altijd dingen die onze vreugde temperen. Kort nadat drie nieuwe Bijbelboeken beschikbaar kwamen, kregen we ’s morgens vroeg een telefoontje van een collega. Ze was in paniek en zei dat ze een ongeluk had gehad en dat er een meute mensen om de auto heen stond. Omdat het vlak bij het vertaalkantoor was gebeurd, renden we er snel naar toe. We zagen honderden mensen. Het was een gevaarlijke situatie. Schuldig of niet, voor je het weet heeft de meute de auto in brand gestoken, met of zonder inzittenden. Gelukkig was de politie snel ter plekke. Mijn collega zat met haar dochter in de auto, ze waren bang. Ik zag een jonge man onder de auto leegbloeden. Het was duidelijk dat hij het niet zou overleven. Hij stierf kort erna.

Al snel werd overal doorverteld: een blanke heeft iemand doodgereden. Toch was dat niet geval. Een motor-taxi was de macht over het stuur verloren, en was op een andere motor gebotst. De man was over het wegdek onder de auto gegleden, en het leek er dus erg op dat hij aangereden was door een auto. Bloederige foto’s verschenen in de krant, met het onjuiste verhaal. Een gevaarlijke situatie, want als een van de weinige blanken in de stad kun je je niet verbergen. En tegen geruchten kun je je nauwelijks verdedigen. Tot onze opluchting hebben ooggetuigen de familie en de politie kunnen overtuigen van wat er daadwerkelijk gebeurd was. Het was niettemin een vreselijke situatie. Ons gevoel van veiligheid op straat had een stevige knauw gekregen.

Twee dagen later hoorden we opeens dat er een aanslag was gepleegd in Nairobi. Kenia en Tanzania zaten aan de buis gekluisterd. Toen we zagen waar het was gebeurd, schrokken we nog erger. Hier hadden we een paar maanden geleden nog met onze kinderen gelopen! We zagen neergeschoten mensen liggen op plekken die we maar al te goed kennen. Een drama dat veel slachtoffers heeft geëist en ons persoonlijk diep geraakt heeft.

Deze wereld is niet veilig. En op sommige momenten voel je dat extra scherp. Het was een week waarin we Gods nabijheid heel hard nodig hadden.


“Dank u wel, maar ik kan niet lezen” | Reformatorisch Dagblad (November 2014)

U bent nu lekker de krant aan het lezen. Maar stelt u zich eens voor, dat de krant op papier niet in uw wijk bezorgd kan worden. Wel wordt dagelijks bij u een cd bezorgd waarop alle artikelen ingesproken staan. Zou u nog steeds elke dag zin hebben om te luisteren naar wat er in de krant staat?

Ik neem u even mee naar Tanzania. Wat was het een mooi moment toen onze bijbelvertalers de eerste dozen met het Lukas-Evangelie konden aanbieden. Enthousiast werd het boek door de Kabwa-mensen ontvangen en gelezen. Heel bijzonder.

Maar niet iedereen was even gelukkig. Een oude Kabwa-spreker die ook een boekje had gekocht zei: “Dank u wel, maar ik kan niet lezen…”. Zijn woorden hebben mij nooit meer losgelaten. De Kabwa-mensen waren nu wel bereikt met het Woord van God in hun eigen taal, maar… toch vooral zij die zelf konden lezen.

Al heel snel zijn er leesgroepen ontstaan. Regelmatig komen mensen bij elkaar om vloeiend te leren lezen in hun eigen taal. Wie dat kan, kan anderen laten meegenieten van het Woord. Voorlezen aan hen die zelf niet kunnen lezen. En dat zijn er nog al wat.

Maar sommige mensen willen graag meer. Ze willen het Woord horen op de momenten dat ze dat willen, en niet wachten tot iemand eens de tijd heeft om voor te lezen. En zo ontstond het idee om audio-bijbels in te zetten, compacte apparaatjes die eenvoudig te bedienen zijn. Elektriciteit is niet nodig, want ieder apparaatje heeft een zonnepaneeltje achterop, zodat ze ook in de meest afgelegen dorpen gebruikt kunnen worden.

Met de audiobijbel zijn alle vertaalde Bijbelboeken af te spelen, prachtig ingesproken door iemand die de taal vloeiend spreekt. De Kabwa-mensen kunnen nu luisteren naar het Woord van God in hun eigen taal op alle momenten dat ze dat willen. Blinde en slechtziende mensen, zij die niet naar school konden gaan, en zij die niet gewend zijn om te lezen. Allemaal mogen ze nu meeluisteren naar wat God te zeggen heeft.

Velen van ons lezen liever dan dat we naar iets luisteren. Maar er zijn nogal wat culturen waar dat precies andersom is. Het kan ons zomaar ontgaan dat miljoenen mensen op deze aarde niet bereikt worden met geschreven woorden. Zij kunnen soms wel lezen, maar zijn hun leven lang al gewend om informatie tot zich te nemen door de luisteren, niet door te lezen.

Een audiobijbel is geen leuk extraatje dat eigenlijk overbodig is voor een serieuze zoeker, maar is op veel plekken een cruciaal middel om mensen in aanraking te brengen met de Woorden van onze God.

Tot voor kort kon ons vertaalteam de Bijbelwoorden alleen in boekvorm verspreiden. Wanneer iemand niet lezen kon, stonden we eigenlijk met lege handen. Dat hoeft nu gelukkig niet meer. Ongeletterdheid hoeft geen barrière meer te zijn om God te kunnen horen. “Vriend, kunt u niet lezen? Geen probleem. Hier is de audiobijbel in uw taal. God zegent u als u naar Hem luistert!”


“Ik ben wit en woon in Afrika” | Doorgeven (Juni 2011)

Met je kinderen de zending in: ’t is een uitdaging én een voorrecht. Dat geldt zowel voor de ouders als voor de kinderen. Je moet je samen aanpassen aan een nieuwe cultuur, en daar je plek in vinden. Onze kinderen zijn daarin vaak voor ons een voorbeeld geweest. Als ze een dag lang met hun vriendinnetjes hebben gespeeld, lijken ze wel Tanzaniaantjes. Ze gebruiken Swahili, vinden ugali met dagaa het lekkerste eten dat bestaat, en spelen het liefst de hele dag buiten op blote voeten. Om dan ’s avonds God te bedanken voor alles wat ze die dag hebben meegemaakt.

In drie talen
Het is heerlijk om te zien hoe onbevangen kinderen kunnen genieten van hun ‘kleine wereldje’; nog niet bewust van de ingewikkelde grote-mensen-wereld. Het leven van onze kinderen ziet er in Tanzania heel anders uit dan wanneer ze in Nederland zouden hebben gewoond. Tijdens een verlof merk je pas hoe groot het verschil is. Michaja, onze dochter van vijf, krijgt in Tanzania vier dagen per week thuis les, in het kleine klaslokaaltje waar Dorien haar Nederlands leert lezen. Een dag per week gaat ze naar een Engelse school waar ook andere zendingskinderen leskrijgen. Het biedt haar de kans om op een natuurlijke manier drie talen te spreken. Thuis gebruiken we Nederlands, buiten Swahili, en met andere zendingskinderen Engels. Minder verwarrend dan je zou denken. En een enorm voordeel. Want wat is nou leuker dan spelenderwijs drie talen te leren spreken?

Vriendjes
Ondanks dat onze kinderen ‘anders’ zijn dan hun Tanzaniaanse vriendjes, horen ze er toch helemaal bij. En dat vinden wij als ouders heel belangrijk: dat ze een ‘normaal’ leven kunnen hebben waarin ze zich veilig voelen en vriendjes kunnen hebben. Wij hebben ons huis en onze tuin daar bewust voor open gesteld. Ook al heeft dat wel wat kleine nadelen (zoals het verdwijnen van speelgoed), de voordelen zijn toch vele malen groter. We willen niet dat onze kinderen in een klein territorium opgroeien. God heeft ons sámen naar Tanzania gebracht, en we proberen hier sámen onze plek te vinden. Kinderen moeten daar ook voluit de kans voor krijgen, als kind. En… het is natuurlijk heel verrijkend voor een kind om in meerdere culturen op te groeien. We hebben ervaren dat kinderen vaak goede ‘bruggenbouwers’ zijn. Ze brengen ons overal om iets te laten zien, en zo komen wij weer in contact met allerlei mensen in onze buurt. In de Tanzaniaanse cultuur is de maaltijd een belangrijk moment om vriendschappen te onderstrepen. Daarom zitten we soms zo maar met een groepje buurkinderen aan tafel, die al dan niet verbaasd kijken naar wat er op hun bordje terecht gekomen is.

Veranderingen
Kinderen van zendingswerkers moeten vaak veel veranderingen een plek geven. Sinds we onze opleiding tot bijbelvertalers begonnen, woonden we in drie verschillende landen, in zes verschillende huizen, maakten zo’n 10 vluchten, en hebben duizenden kilometers door Tanzania en Kenia afgelegd. Toch was er één constante: we waren er altijd sámen. Ons gezinsleven is wat al die verschillende plekken aan elkaar verbindt, en wat een veilige plek creëert, waar we ook zijn. Als zendingswerkers voelen we dan ook een extra verantwoordelijkheid om te blijven werken aan een hecht gezinsleven, waar tijd en aandacht voor elkaar is, en iedereen zich veilig voelt. Tegelijk is ons gezinsleven ook een zichtbaar getuigenis naar onze Tanzaniaanse buren en vrienden. Het is in Tanzania niet altijd gebruikelijk dat een vader volop deel uitmaakt van het gezin, en veel tijd met zijn kinderen doorbrengt. De keuzes die wij maken, geven vaak aanleiding voor een goed gesprek.

Beroofd
Toen wij in 2010 beroofd werden, hadden Michaja en Elisa ook veel behoefte aan een gevoel van veiligheid. Het doet je als ouders heel wat als je kind je voor het slapen gaan vraagt: “Komen de dieven vanavond weer terug? Gaan ze nog meer van onze spulletjes meenemen?” Een vraag die een kind van vier jaar nog niet zou moeten hoeven stellen. Juist op momenten dat je zelf onveiligheid ervaart, voel je je als ouders en kinderen heel afhankelijk van Gods bescherming. En dat delen we dan ook met ze. Een hecht gezin is cruciaal, en kinderen moeten over hun gevoelens durven te praten. Als ouders moeten we extra alert zijn op de signalen die onze kinderen afgeven, omdat anderen die signalen waarschijnlijk niet kunnen oppikken. Als je emotioneel gezonde kinderen mag hebben, dan geeft dat een extra vreugde aan het dienen in Gods koninkrijk.

Baby
Op dit moment zijn we aan het eind van ons verlof in Nederland. We zijn wat langer gebleven vanwege de geboorte van ons derde kindje. Goede medische zorg is in de regio waar wij wonen moeilijk te vinden. Het beste ziekenhuis in de buurt is in Nairobi (Kenia), zo’n tien uur rijden. Voor een bevalling net iets te riskant. We waren blij met de mogelijkheid dat ons kindje in Nederland geboren kon worden. Met drie jonge kinderen, ver van goede medische zorg, bid je voortdurend dat God ons gezondheid geeft. Je voelt je kwetsbaar, zeker met kwetsbare kinderen. Maar God zorgt!


“Dit raakt mijn hart!” | Wycliffe Nieuws (Januari 2010)

De man naast mij slaat zich op z’n borst, en roept: ‘Dit raakt mijn hart! Dit raakt mijn hart!’

De zondag voor kerst was een belangrijke mijlpaal voor negen stammen in noorden van Tanzania. Net als ieder jaar werd in de kerken voorgelezen uit het kerstevangelie, maar deze keer was één ding anders: het kerstverhaal klonk voor het eerst in de eigen moedertaal. Ruim een miljoen Tanzanianen kregen vanaf die dag de kans om een stukje Evangelie in hun eigen taal te horen of te lezen. We deden ons best om zoveel mensen te bereiken met de 1800 boekjes die we gedrukt hadden.

Om zoveel mogelijk mensen op de hoogte te brengen van het goede nieuws, ga ik met twee Kabwa-vertalers naar de markt in een van de dorpen. Het doel is om het Kerstverhaal voor te lezen en zoveel mogelijk boekjes te verspreiden. De vertalers, John Masige en Paul Meja, zijn er niet gerust op. Ze zijn bang dat ze worden uitgelachen als ze gaan voorlezen.

Maar dat valt mee. Iedereen is stil als een van de vertalers voorleest over de geboorte van Jezus Christus, en over de armoedige omstandigheden waaronder dat gebeurde. De man naast mij slaat zich op z’n borst, en roept: ‘Hii inagusa moyo yangu! Hii inagusa moyo yangu!’ (‘Dit raakt m’n hart! Dit raakt m’n hart!’).

Het is druk en heet. We hebben allemaal een stapel boekjes onder de arm. Al snel hebben we gesprekjes met nieuwsgierige mensen. Ze willen weten wat dat voor boekjes zijn. En daar gaven we natuurlijk graag antwoord op: ‘Het allereerste boekje in uw taal, en het gaat over de geboorte van Jezus Christus!’

Ik moedig een van de vertalers aan om weer wat voor te lezen. En al snel worden we omringd door drommen mensen, die allemaal luisteren naar het Kerstevangelie in hun eigen taal.

Het duurt niet lang of we zijn door onze boekjes heen. Binnen een uur weet iedereen in de omgeving dat het Kerstverhaal beschikbaar is in de Kabwa-taal. Christenen en niet-christenen hebben in hun eigen taal gehoord dat Jezus Christus is gekomen om mensen te redden.


“Bekering: Je zonden uitbraken” | De Wekker (Februari 2012)

Iedere dag weer vertalen we nieuwe hoofdstukken van de Bijbel in de Simbiti-taal. En bijna iedere maand trekken we de afgelegen dorpen in om onze vertaling te testen. We willen graag weten of de oorsponkelijke betekenis goed overkomt, of dat er dingen onduidelijk zijn. Daar kom je alleen achter als je de mensen opzoekt, en hen vragen stelt.

We zitten in de schaduw van een bijna kaalgevreten boompje. Een van de vertalers leest hardop een stukje uit Handelingen 2 voor. Petrus zegt in de Simbiti-vertaling: “Ieder van jullie moet zijn zonden uitbraken, en zich laten dopen in de naam van Jezus Christus, zodat zijn zonden vergeven worden. En hij zal de Heilige Geest ontvangen.” De Simbiti-mensen hebben geen specifiek woord voor ‘zich bekeren’. De vertalers hebben geprobeerd de betekenis over te brengen door te vertalen: ‘je zonden uitbraken’. Het is een uitdrukking die voor veel Simbiti-mensen krachtig de radicale betekenis van ‘bekering’ laat zien. De gedachte is dat niemand terug keert naar zijn eigen braaksel. De uitdrukking ‘je zonden uitbraken’ betekent daarom dat iemand zich afkeert van zijn oude zondige leven, en zich vanaf nu op God blijft richten.

Als de vertalers de vertaling voorgelezen hebben, blijft het lang stil. Iedereen staart voor zich uit. Niemand reageert. We vragen ons af of de vertaling misschien onbegrijpelijk is. Na een tijdje staat een oudere man op, zwijgt een tijdje, maar zegt dan: “Deze woorden gelden ook voor ons. We hebben het niet goed gedaan. Ook wij moeten onze zonden uitbraken. Wat moeten we nu doen?”

Terwijl we eerst dachten dat we de betekenis van het woord ‘bekering’ niet goed konden doorgeven in de Simbiti-taal, lijken we nu toch een passende uitdrukking gevonden te hebben, die mensen diep in hun hart raakt.


“Wilt u straks preken?” | De Wekker (Juli 2017)

De flexibiliteit van Tanzanianen is een gave. Verschillende keren heb ik gezien hoe iemand zo’n vijf minuten van tevoren gevraagd wordt een speech te geven of een preek te houden, en slechts weinigen bedanken voor de eer. Spreken en praten is een ingeboren gave. Over de inhoud valt uiteraard te twisten, meer dan eens zelfs, maar het spreken op zich boezemt weinig mensen angst in.

Men verwacht van zendelingen hetzelfde. Hoe meer je spreekt of preekt, des te meer mensen de kans krijgen om je uit te nodigen. Een dag of wat van tevoren, of een avond van tevoren. Vorige week zondagmorgen werd ik om zeven uur ’s morgens gebeld of ik kon komen preken die morgen. Nu geloof ik zeker in roeping, maar ik voelde me die morgen niet geroepen om onvoorbereid halsoverkop naar het betreffende dorpje af te reizen en te preken (de voorganger had de reistijd blijkbaar niet ingecalculeerd). Ik beloofde hem dat ik de week erna graag zou komen.

Toen ik zondagmorgen bij het kerkje begroet werd, kreeg ik te horen dat ik niet alleen zou preken, maar ook de hele dienst mocht leiden. Nu weet ik wel ongeveer hoe een normale dienst in elkaar steekt, maar dit was een Anglicaanse kerk met een strakke liturgie, waarbij de gemeente voortdurend op de woorden van de voorganger reageert. Geen sinecure om dat voor de eerste keer te doen, in een vreemde taal. Je hoeft er maar één woord naast te zitten, of mensen kijken je met grote ogen aan en blijft het ongemakkelijk stil in de kerk. Gelukkig wilden de ouderlingen best wat taken overnemen, zodat ik me kon richten op de preek, de gebeden en de zegen. Heerlijk die flexibiliteit. Het maakt het voor mij mogelijk om niet alleen doordeweeks de Bijbel te vertalen, maar ook de boodschap ervan op zondagmorgen door te geven.


“Ik heb zo’n zin om te beginnen met vertalen!” | De Wekker (Maart 2012)

Momenteel ben ik zo’n 11 uur van ‘thuis’ in Tanzania. Ik ben uitgenodigd om naar Kenia te komen om mee te helpen bij het trainen van een lichting nieuwe bijbelvertalers. Zo’n 20 studenten uit Kenia, Tanzania, Oeganda en Zuid-Sudan zijn voor drie weken bij elkaar gekomen om te leren hoe ze de Bijbel kunnen vertalen in hun eigen talen. Het is een bont gezelschap. Ik zie een Rooms-Katholieke priester uit Oeganda die aan een universiteit heeft gestudeerd. Ik zie ook een jonge man uit Zuid-Sudan die net zijn middelbare school heeft afgerond. En juist zijn getuigenis maakte veel indruk op me.

John Dunyi, want dat is zijn naam, komt uit het door oorlog verscheurde zuiden van Sudan, het jongste land van Afrika.  Hij is de eerste in zijn stam die een goede opleiding heeft gekregen in het naburige land Kenia. Jaren geleden heeft God duidelijk tot hem gesproken. John kreeg een verlangen in zijn hart om zijn eigen mensen toegang te geven tot de woorden van God. God bracht iemand op zijn pad die voor zijn scholing kon betalen. En nu zit John hier voor me terwijl hij alles in zich opneemt wat hij maar kan leren. Z’n brede lach als hij weer iets nieuws leert is aanstekelijk. En hij is niet de enige. Na de les gisteren kwam John naar mij toe en zei: “Mijn hart is vol van vreugde. Ik heb iets geleerd wat ik gisteren nog niet wist. Ik heb zo’n zin om te beginnen met vertalen!”

Ik voel me enorm bevoorrecht dat ik mensen als John mag trainen om een goede bijbelvertaler te worden. Zijn enthousiasme is prachtig, al weet hij nog niet half hoeveel moeilijke dingen hij nog moet leren. Maar ik voel me blij als ik een vertaler zie met een diepe liefde voor Gods woorden  en een liefde voor mensen.


Een bekentenis | De Wekker (December 2013)

We voelden ons aardig goed voorbereid toen we toeleefden naar onze uitzending. We hadden zin om naar Tanzania te gaan en om daar een verschil te maken in de levens van gewone mensen. We hadden echter geen idee hoe de werkelijkheid ons door elkaar zou schudden. En dat we het zonder de hulp van God nooit vijf jaar zouden volhouden.

Terwijl we ons voorbereidden, lazen we veel over het land waar we naar toe zouden gaan. We zagen foto’s van hongerige kinderen. We lazen verhalen over een snel groeiende jonge kerk. We hoorden over zendelingen die alles gaven om de liefde van Jezus maar door te geven. Het raakte ons diep, en gaf een verlangen om ook te gaan. En God stuurde ons.

Die hongerige kinderen blijken nu soms zo ondankbaar, brutaal, veeleisend. Je wordt door ze bestolen. Je wilt ze liefhebben, maar het is zo veel makkelijker met een foto dan wanneer ze je buurkindjes zijn. Je merkt opeens zo’n tekort aan geduld en ontferming, en je schrikt ervan. Je wilt alles geven, maar op een dag realiseer je je opeens dat het je niet lukt, dat je er de energie niet meer voor hebt. Je voelt je er schuldig over, verward in ieder geval. Je komt er niet uit, zonder Jezus’ hulp.

Die snel groeiende jonge kerk die we zo graag wilden dienen, werd zomaar een grote bron van teleurstelling. In het begin leek het geweldig om samen met de plaatselijke kerk het Evangelie verder te verspreiden, ook naar de onbereikte dorpen. We droomden over het toerusten van de kerk en het opzetten van bijbelstudiegroepen. Alleen al het woord ‘kerk’ bracht ongekende energie in ons naar boven. Maar op een dag realiseerden we ons dat dingen helemaal niet zo snel veranderen, laat staan verbeteren. We zagen dat de kerk een plek is waar leiders zich soms meer om zichzelf dan om anderen bekommeren. Hoe meer we de taal begonnen te begrijpen, des te meer schrokken we ervan hoe Jezus in de kerk de grote afwezige kon zijn. De kerk werd zomaar een plek waar je zelfs als zendeling liever niet wezen wilde. Nogal verwarrend. Kwamen we niet om de kerk te helpen? Emoties en visie kunnen soms zo hard botsen. Je komt er niet uit, zonder Jezus’ hulp.

De zendelingen die samen met ons werken, blijken vaak met dezelfde verwarrende emoties te worstelen. De geestelijke strijd heeft veel facetten. We worden ons bewust van zwaktes en zonden waar we ons vroeger nooit zo van bewust waren. De werkelijkheid test de grenzen van ons geduld, de diepte van ons geloof en de spankracht van onze liefde. En we slagen niet altijd voor de test.

Zonder een genadige God en geduldige vrienden die blijven bemoedigen en bidden, geloof ik niet dat veel zendelingen het eind van dit jaar zullen halen. Maar met de hulp van Jezus is alles mogelijk. Bid voor de zendelingen die u kent, dat ze blijven groeien in liefde, geduld en ontferming.


Een zendingskerk op het zendingsveld | Reformatorisch Dagblad (April 2013)

Als bijbelvertaler wil je graag in contact blijven met de mensen voor wie je de Bijbel vertaalt. Sinds een aantal jaren werk ik samen met het Kabwa Bijbelvertaalteam, om één van de kleine taalgroepen in het noorden van Tanzania te bereiken in hun moedertaal.

Op een zondagmorgen bezoek ik één van de kleine kerkjes in het gebied waar de Kabwa mensen wonen. De meeste kerkjes zijn klein. De gemeente die ik vandaag bezoek komt normaal samen in een simpel bouwsel van bamboestokken, rieten matten en plastic zeil. God zal niet minder blij zijn met de lofliederen die Hem hier vandaan bereiken, dan vanuit welke kathedraal dan ook. Maar vandaag is het kerkje leeg. We horen al snel dat de gemeente een vergelijkbaar schaduwrijk afdakje heeft gebouwd zo’n twee heuvels verderop. Als we goed kijken zien we heel wat huisjes verspreid over de savanneachtige vlakte. De Kabwa-stam is een volk dat leeft van het land, zorgt voor het vee, en bidt om de regen. Het is een hard leven. En iedereen beseft dat het christelijk geloof in het alledaagse leven tot nu toe nooit veel heeft betekend. Je zou het ‘zendingsveld’ kunnen noemen.

Al snel stromen van alle kanten mensen samen naar het provisorisch inelkaar gevlochten kerkje. Ik hoor dat vandaag de afsluiting is van een driedaagse serie van evangelisatie-diensten. Gemeenteleden hebben niet-christelijke vrienden uit de buurt uitgenodigd om samen te zingen voor God en om uitleg te krijgen over het Evangelie. Tijdens het voorstellen van ‘de evangelisten onder ons’ staat bijna de halve gemeente op. Ik word er stil van. Na de indringende preek wordt er gebeden voor de mensen die in de afgelopen dagen tot geloof zijn gekomen en bij de gemeente willen horen. Voor sommigen wordt kort gebeden. Voor anderen – mensen die in hun leven veel ruimte gegeven hebben aan de duistere machten – wordt met kracht en overgave gebeden om bevrijding. Ik bid mee, en kijk toe. Ik zie hier een gemeente die strijdt in Gods koninkrijk. Een gemeente waar mensen leven vinden. En dan realiseer ik me opeens weer: ik bevind me hier op zendingsveld. En… de zendelingen zijn de Kabwa mensen zelf! Kabwa gelovigen die echt geven om hun buren en vrienden, hen willen laten delen in de vreugde om God samen te prijzen, en dan met hen op de knieën voorin de kerk zitten om te bidden om vergeving en bevrijding.

Dr. Stefan Paas zei onlangs in deze krant: “Elk land kan zendingsbasis én zendingsland zijn.” Deze morgen zit ik in een gemeente waar God al volop aan het werk is, ook naar buiten toe. God heeft vaak geen blanke zendelingen nodig om de laatste ‘witte velden’ te bereiken. Toch hebben deze jonge gelovigen het Woord van God nodig om te groeien in het volgen van Hem. De Kabwa bijbelvertalers zijn bevoorrecht, want zij mogen Gods woorden voor hen laten klinken in de taal van hun hart. 


Roeping | Reformatorisch Dagblad (Augustus 2013)

Moeilijke momenten op het veld brengen je vaak terug bij de reden waarom je bent waar je bent. De meeste zendelingen voelen zich geroepen op de plek waar ze zijn, of voor het werk dat ze doen. Als alles goed gaat en God het werk lijkt te zegenen, dan is het verleidelijk om te concluderen dat we op de goede plek zijn. Maar wat als alles tegenzit en zichtbare resultaten op het werk uitblijven? Wat als ziekte je leven volledig ontregelt en je soms amper aan het werk toekomt waarvoor je je geroepen voelde? Hoe verleidelijk is het dan soms om te denken dat dit misschien toch niet Gods weg voor ons is.

Het helpt om op zulke momenten een duidelijk roepingsbesef te hebben. Weten dat God je geroepen heeft om hier te zijn. Ik ben betrokken bij bijbelvertaalwerk in Afrika, maar ik heb geen specifieke roeping gekregen om bijbelvertaler te zijn. Wel een duidelijke roeping om de jonge Afrikaanse kerk te ondersteunen. De manier waarop ik dat mocht doen, is naderhand duidelijk geworden, maar was niet duidelijk toen God me riep. Ook niet precies op welke plek. En ik heb daar vrede mee. God is niet zo beperkt dat Hij ons maar op één plek gebruiken kan. En als wij hem niet goed begrepen hebben en toch elders belanden, dat we zijn ‘buiten zijn wil’ om ergens dienen, hoogstwaarschijnlijk vruchteloos. Als ik dat zou geloven, zou ik in een constante twijfel leven over of we wel op de goede plek zijn. Want tegenslagen hebben ook wij genoeg.

Een tijdje geleden kee ik naar een documentaire over het leven van de zendeling William Carey. Een voorbeeld van iemand die ontzettend veel ontmoediging en tegenslag meemaakte in zijn eerste jaren als zendeling. Ieder weldenkend mens adviseerde hem terug te gaan naar huis. Maar Carey bleef. Hij zegt dan, op zo’n cruciaal keuze-moment: “God, maar deze mensen dan? Ze hebben U nodig!” Carey had een duidelijke roeping. Maar op een dieptepunt in zijn leven denkt hij niet direct terug aan de dag dat hij van God hoorde om naar India te gaan, maar hij denkt aan de nood die hij om zich heen ziet. Carey wist en geloofde dat God door hem heen wilde werken, en dat hij daarom moest zijn waar hij was. Dat is roeping.

Ook voor mijn roeping hoef ik niet altijd terug te kijken. Mijn roeping wordt vrijwel iedere dag bevestigd. Toen God mij riep was ik zeventien. Ik had – op de dag dat ik tot geloof kwam – tegen God gezegd: Hier ben ik, helemaal voor u, zend U mij maar waar u me wilt hebben. Toen ik een dag later zat te lezen in een zendingsmagazine over de situatie van de jonge kerk in Afrika, voelde ik onmiddelijk het verlangen om mijn leven hiervoor te geven. En dat verlangen is nooit verdwenen. Mijn roeping wordt dagelijks bevestigd door de werkelijkheid die ik zie, ook en juist op moeilijke momenten. En ik weet dat God me gebruiken wil om de Bijbel te laten klinken in nieuwe talen, voor mensen die Hem zo hard nodig hebben.


Een bekentenis | Reformatorisch Dagblad (December 2013)

We voelden ons aardig goed voorbereid toen we toeleefden naar onze uitzending. We hadden zin om naar Tanzania te gaan en om daar een verschil te maken in de levens van gewone mensen. We hadden echter geen idee hoe de werkelijkheid ons door elkaar zou schudden. En dat we het zonder de hulp van God nooit vijf jaar zouden volhouden.

Terwijl we ons voorbereidden, lazen we veel over het land waar we naar toe zouden gaan. We zagen foto’s van hongerige kinderen. We lazen verhalen over een snel groeiende jonge kerk. We hoorden over zendelingen die alles gaven om de liefde van Jezus maar door te geven. Het raakte ons diep, en dat gaf een verlangen om ook te gaan. En God stuurde ons.

Die hongerige kinderen blijken nu soms zo ondankbaar, brutaal, veeleisend. Je wordt door ze bestolen. Je wilt ze liefhebben, maar het is zo veel makkelijker met een foto dan wanneer ze je buurkindjes zijn. Je merkt opeens zo’n tekort aan geduld en ontferming, en je schrikt ervan. Je wilt alles geven, maar op een dag realiseer je je opeens dat het je niet lukt, dat je er de energie niet meer voor hebt. Je voelt je er schuldig over, verward in ieder geval.

Die snel groeiende jonge kerk die we zo graag wilden dienen, werd zomaar een grote bron van teleurstelling. In het begin leek het geweldig om samen met de plaatselijke kerk het Evangelie verder te verspreiden, ook naar de onbereikte dorpen. We droomden over het toerusten van de kerk en het opzetten van bijbelstudiegroepen. Alleen al het woord ‘kerk’ bracht ongekende energie in ons naar boven. Maar op een dag realiseerden we ons dat dingen helemaal niet zo snel veranderen, laat staan verbeteren. We zagen dat de kerk een plek is waar leiders zich soms meer om zichzelf dan om anderen bekommeren. Hoe meer we de taal begonnen te begrijpen, des te meer schrokken we ervan hoe Jezus in de kerk de grote afwezige kon zijn. De kerk werd zomaar een plek waar je zelfs als zendeling liever niet wezen wilde. Nogal verwarrend. Kwamen we niet om de kerk te ondersteunen? Emoties en visie kunnen soms zo hard botsen. Je komt er niet uit, zonder Jezus’ hulp.

We kennen onze roeping. Maar de werkelijkheid test voortdurend de grenzen van ons geduld, de diepte van ons geloof en de spankracht van onze liefde. En we slagen niet altijd voor de test. Zonder een genadige God en geduldige vrienden die blijven bemoedigen en bidden, geloof ik niet dat wij tot het einde van dit jaar zullen kunnen dienen op de manier zoals Jezus het heeft bedoeld. Alleen mét Hem kunnen we vruchtbaar dienen, ook op de momenten dat we onszelf soms zulke ongeschikte zendingswerkers voelen.


Een kinderkistje is altijd te klein | Reformatorisch Dagblad (Februari 2014)

Maandagmorgen. Ik was al vroeg op het vertaalkantoor. We zouden die dag een aantal hoofdstukken van een nieuw vertaald Bijbelboek bespreken. Terwijl de vertalers het kantoor binnendruppelden kwam het nieuws binnen dat een van onze vertalers zijn tweejarige dochtertje had verloren. In plaats van die dag aan de slag te gaan, waren we een uurtje later op weg naar de begrafenis.

Een kinderkistje is altijd te klein. Een meisje dat vrolijk zou kunnen rondhuppelen, ligt doodstil te wachten om begraven te worden. De moeder en andere vrouwen zitten samen op de achtergrond bij elkaar, de hoofden bedekt. De mannen drinken en praten, de dominee leest uit de Bijbel, en de vader legt uit waar het kind aan gestorven is. Hij heeft daar bijna twintig minuten voor nodig, vanwege de geruchten in het dorp over wat er gebeurd zou zijn. Dan wordt er besloten om te bidden tot God, of Hij een wonder wil doen en het kind weer tot leven wil brengen. Er wordt vol geloof en verwachting gebeden, maar het gebeurt niet. Het kistje wordt dichtgespijkerd. Tien spijkers, vier slagen elk, en dan is het stil.

In de achtertuin wacht een open grafje. Het kistje wordt op de bodem gezet, en een paar jonge mannen vullen het graf met aarde. Het einde van een leven op aarde voor een kind dat nog niet had hoeven sterven. Als ze maar op de tijd de hulp had gekregen die ze nodig had. Maar die kreeg ze niet. Want ze woonde in Tanzania.

Ronit, want zo heet het meisje, was op een dag plotseling ziek geworden. Zo kon niet meer horen, en haar armen raakten verlamd. De dokters in één ziekenhuis stelden vast dat ze vergiftigd was. Een andere dokter dacht dat het malaria plus nog wat anders was. Welke medicijnen Ronit ook kreeg, ze werd steeds zieker. Pas na twee weken gaven de dokters toe dat ze het ook niet wisten, en stuurden haar door naar een beter ziekenhuis in een andere stad. Daar verbleef ze op de intensive-care, zonder hoop op herstel. Pas toen de ouders in contact kwamen met een Amerikaanse dokter in het ziekenhuis, werd duidelijk dat het meisje nekkramp heeft gehad. Ze kreeg medicijnen, maar het was feitelijk al te laat. Het werd haar dood.

Op zo’n moment besef je opeens hoe ziekte en dood het leven beheersen van zoveel mensen die geen toegang hebben tot goede gezondheidzorg. Hulp komt zo vaak te laat, en dokters stellen met hun beperkte middelen nogal eens foute diagnoses. Ziek worden is daarom altijd een bedreiging van het leven. De levensverwachting soms kort. Jezus weet dat zij die ziek zijn een dokter nodig hebben. En Hij alleen heeft de volledige macht over leven, ziekte en dood, en het leven na de dood. Geloof in Jezus als de Redder van mensen is een leven van hoop voor nu en straks.


Aansprekend zendingswerk | Reformatorisch Dagblad (April 2014)

Ik heb de indruk dat steeds meer christenen zich veel directer betrokken voelen bij zendingswerk dan ooit tevoren. Waar je vroeger voor het laatste nieuws over het zendingswerk misschien naar een zendingsdag moest of een zendingsblaadje moest lezen, kun je tegenwoordig bijna wekelijks op de hoogte blijven van het wel en wee van Hessel of André. Het is allemaal wat persoonlijker geworden.

Niet alleen staan zendingsveld en achterban wat directer met elkaar in contact, ook de sponsoring is persoonlijk geworden. Veel mensen sponsoren niet zozeer een bepaald zendingsproject met een nauwelijks uit te spreken naam, maar zendingswerkers die ze kennen en die regelmatig communiceren over hun leven en werk. Organisaties doen er alles aan om het zo persoonlijk mogelijk te maken. Je kunt een Keniaans kindje sponsoren die je ieder jaar persoonlijk een handgeschreven briefje toestuurt, je favoriete bijbelvers adopteren en laten vertalen voor een bijbelloze taalgroep, of een brommer aanschaffen voor evangelist Fanueli die werkt in een uitgestrekte savanne. De trend lijkt te zijn dat hoe beter een gift te communiceren en te visualiseren valt, des te meer kans er is dat iemand zich ‘erdoor aangesproken’ voelt en besluit een gift over te maken. Het is dan ook geen verrassing dat de fondsenwerving van veel zendingsorganisaties aansluit bij dat gevoel om persoonlijk iets concreets te kunnen doen voor Gods werk in de wereld.

Het zal voor niemand nieuws zijn dat het uitvoeren van zendingswerk veel kosten met zich meebrengt die ‘wat minder aansprekend’ zijn. Dat geldt ook voor al die zendingswerkers die door een persoonlijke achterban ondersteund worden en geen vast salaris hebben waaruit deze ‘saaie uitgaven’ betaald kunnen worden. In de meeste gevallen hebben zij geen andere inkomsten dan de giften die ze maandelijks ontvangen. Giften ‘voor de zending’ moeten dan ook worden gebruikt voor een heel scala aan uitgaven. Sommige leiden heel direct tot een aansprekend resultaat, bijvoorbeeld om geluidsdragers met het Paasevangelie te verspreiden in een nauwelijks bereikte regio. Andere uitgaven helpen simpelweg om zendingswerkers op het veld te houden, bijvoorbeeld om de belasting te betalen die het gastland van zendingswerkers vraagt. Beide soorten uitgaven zijn noodzakelijk, al zijn ze misschien niet allebei even ‘aansprekend’.

Het is geweldig om te zien hoeveel mensen regelmatig en trouw geld voor zendingswerk beschikbaar stellen. Juist voor projecten die vele jaren in het beslag kunnen nemen, is langdurige steun cruciaal. De oudere generatie ziet dat misschien wel scherper dan de jongeren van nu, van wie sommigen toch wat meer gewend raken aan uitdagende werkvakanties in de tropen en sponsoracties voor een specifiek en haalbaar doel. Het zal moeten blijken of ook de nieuwe generatie het grotere plaatje zal blijven zien en het zendingswerk langdurig wil steunen. En dat ook te doen als niet iedere zendingswerker aansprekende verhalen kan schrijven over het werk dat hij of zij doet. Investeren in zendingswerk vraagt een zeker geduld en vertrouwen, ook als het soms even ‘stil’ blijft en we zendingswerkers de ruimte moeten geven om gewoon te doen waarvoor ze gestuurd zijn. 


Wietie en Michaja, twee vriendinnen | Reformatorisch Dagblad (December 2014)

Ik voel me ontzettend bevoorrecht. En een beetje ongemakkelijk. Aan tafel zit onze dochter Michaja met haar Tanzaniaanse buurmeisje. Ze heet Wietie, haar beste vriendinnetje. Iedere dag spelen ze urenlang samen. Twee kinderen die samen opgroeien binnen een straal van tien meter, maar voor wie het leven nu er al heel verschillend uit ziet. En de toekomst waarschijnlijk ook.

Wieties wereldje is klein. Ze is ooit met een bus naar een dorp ver weg geweest, maar kwam dezelfde avond al weer thuis. Iedereen in haar wereldje praat normaal en ziet er normaal uit (behalve de buurmeisjes dan). Vliegtuigen heeft Wietie wel eens gezien, maar altijd van onderen, als ze vlak over haar huisje naast de landingsbaan scheerden. Zes jaar geleden kwam het vliegtuig aan met daarin twee blanke meisjes die in drie landen hadden gewoond en net hun derde taal begonnen te leren. Hun wereldje leek zoveel groter dan die van haar.

Wietie gaat naar school. Ze heeft geluk. Samen met nog honderd kinderen zit ze gehurkt op de grond en herhaalt met de negenennegentig anderen luidkeels wat de juf net voorzei. Wietie weet niet hoe lang ze naar school kan gaan. Als het schoolgeld niet wordt betaald, zit ze maandag alweer thuis. Over volgend jaar wordt al helemaal niet gepraat. Dat is nog zo ver weg.

Michaja wordt iedere dag met een auto naar school gebracht. Samen met nog drie kinderen krijgt ze iedere morgen les van een hoogopgeleide juf in een goed uitgerust klaslokaal. Haar ouders moeten er niet aan denken dat ze nu en later niet de beste scholing zal krijgen die mogelijk is. En het lijkt binnen handbereik. Ze sparen er nu al een beetje voor.

Als Wietie ziek is, moet ze met haar oudere zus mee naar de kliniek. Wachten duurt daar lang. Het lijkt wel of iedereen eerder mag, ook al stonden Wietie en haar zus ’s morgens vroeg als een van de eersten in de rij. Niemand ziet de twee meisjes. Om half twee gaat de deur dicht. De dokter moet eten en komt over een paar uur weer terug. De meisjes gaan in de schaduw zitten. Ziek zijn en wachten is geen pretje. Kon papa hier maar zijn en aan de dokter vertellen wat haar mankeerde. Maar papa is er niet. Nooit eigenlijk.

Michaja is op een dag ook ziek. Ze heeft hoge koorts, misschien wel malaria. Ze wordt door haar vader naar een kliniek gebracht van een Egyptische dokter. Papa kent de dokter. Ze wachten buiten in de schaduw, en al binnen twee minuten ziet de dokter hen staan. Hij komt naar hen toe, en ze mogen gelijk binnen komen. Samen met de dokter lopen Michaja en haar papa tussen de lange rijen in de wachtkamer door naar de spreekkamer. Nog geen kwartier later rijden ze naar huis met de benodigde medicijnen op zak. De andere mensen zien hen wegrijden. Enigszins jaloers wellicht, maar niet verrast. Want zo gaat het nu eenmaal.

Twee meisjes die dikke vriendinnen zijn. Ze wonen naast elkaar, delen hun speelgoed, hun eten en hun schoenen. En toch is er een wereld van verschil. Nu al, en straks helemaal. Ik voel me bevoorrecht dat beiden aan tafel zitten. En ook nog steeds een beetje ongemakkelijk. Ik gun ieder kind dezelfde kansen. Maar ik weet: de wereld biedt niet dezelfde kansen aan ieder kind. De kansen zijn oneerlijk verdeeld. Een kind kan daar zelf weinig aan doen. En de ouders soms al evenmin. En de blanke buren – hoeveel ze ook proberen te helpen – eigenlijk ook niet.