Het is zaterdagmorgen. Zoals iedere week, tijd om groente en fruit te kopen op de markt. Er is genoeg. Al het fruit is vers en de groenten zijn ’s morgens vroeg vanuit de dorpen naar de stad gebracht. De felrode tomaten zijn voller van smaak dan ik ze in Nederland ooit zal proeven. Samen met de paarse uien, groene papaya’s en gele bananen geven ze de markt een feestelijke uitstraling. De markt is een mooie plek om te zijn, als je er de energie voor hebt. Want even snel boodschappen doen is er niet bij. Daarvoor kennen we teveel mensen. Veel mensen voelen zich een ‘rafiki’, een vriend. En vriendschappen kosten tijd in Tanzania, én geld. Dat was toch even wennen in het begin. In Nederland vragen vrienden elkaar niet snel om geld. In Afrika is het een belangrijk kenmerk van een goede vriendschap, dat je elkaar altijd helpt als je kunt. Een nieuwe vriendschap aangaan houdt verplichtingen in.

“Rafiki!”  Ik draai me om en zie Lucio. Een vriend. We groeten elkaar uitgebreid, praten over de hitte, familie, werk, kerk, en wat al niet. En dan de altijd voorspelbare mededeling:  “Ik heb een probleem.” De verwachtingen zijn vooraf bekend. Ik weet dat hij mij nodig heeft, en hij weet dat ik waarschijnlijk kan helpen. Het is voor hem alleen de vraag of ik het wil. Lucio vraagt niet om iets voor zichzelf. Hij vraagt ons het schoolgeld te betalen voor zijn nichtje. We kennen haar niet, maar Lucio is onze vriend. En dat telt. Vorige maand hebben we 1/3 van het schoolgeld betaald. Lucio moest de rest erbij zoeken. Dat is hem niet gelukt. Blijkbaar is hij afhankelijk van hulp. Schoolgeld moet ieder jaar betaald worden. Eenmalige hulp is vaak geen echte hulp. We denken erover na wat wijs is. Als we kunnen, helpen we graag. Als een vriend.

[Deze column is afgelopen vrijdag verschenen in het tijdschrift De Wekker. De Wekker is het officiële landelijke blad van de Christelijke Gereformeerde Kerken]

 

Op ons vertaalcentrum hebben we al jaren de gewoonte om ’s morgens een gezamenlijke dagopening te hebben. Tijd om met elkaar te bidden, te zingen, elkaar te groeten, en thee te drinken. Tot vandaag hadden we altijd het gebruik om elkaar vlak voor de thee een hand te geven. Een mooi symbool om onze verbondenheid met elkaar te laten zien. Vanmorgen wierp echter iemand het idee op om dit handen-geven maar achterwege te laten. We hebben elkaar ’s morgensvroeg immers al begroet, en het is tegenwoordig een symbool zonder inhoud, zo werd gezegd. Toen er over gestemd werd, waren bijna alle Tanzaniaanse medewerkers ervoor om het handen-schudden af te schaffen. Dat verraste me…

Handen schudden gebeurt overal en altijd en uitgebreid, en ik had de indruk dat het belangrijk was voor mensen. Blijkbaar dus niet. Ik vroeg een van onze vertalers naar de traditionele manieren van groeten. Hij vertelde mij dat het handen-geven uit het Westen afgekeken is, maar niet een gebruikelijke manier van groeten is (ook al doet tegenwoordig iedereen er aan mee). Ja, groeten is belangrijk, heel belangrijk zelf. Maar met woordenJe begroet elkaar uitgebreid door elkaar vragen te stellen. Hoe lang en gedetailleerd dat moet hangt af van uit welke stam iemand komt. Sommigen zullen uitgebreid vragen wat je gisteravond gegeten hebt en hoe het met je vee gaat en nog twintig andere vragen, terwijl anderen alleen zullen vragen of je gezond bent, hoe het thuis gaat, en of je goed geslapen hebt. Maar handenschudden hoorde er nooit bij. 

Ik vind het nog steeds jammer dat we het nu afgeschaft hebben op ons vertaalcentrum, maar ik begrijp het nu wel een beetje.  En toch ook een beetje niet. Als ik Tanzanianen observeer, zie ik ze voortdurend handen schudden, en niet zo weinig ook. Misschien heeft de praktijk het ideaal om het ‘zoals vroeger’ te doen gewoon allang ingehaald. Hoe dan ook, ik verwacht niet dat ik voorlopig minder dan 50 keer per dag iemands hand schud, ondanks dat we het ‘officieel’ niet meer doen.

Sommigen dingen wennen nooit. Bijvoorbeeld als voor je ogen een kind met een stok afgeranseld wordt. Dat overkwam me zojuist. Ik was vandaag wat eerder dan normaal uit m’n werk thuis, omdat Dorien naar de wekelijkse vrouwenbijbelstudie ging. Ik had eerst wat gespeeld met Michaja, maar die had wat hoofdpijn zei ze. Toen ik haar op de bank legde, zag ik opeens twee kinderen door onze tuin rennen met hun armen vol mango’s. Nu gebeurt het iedere dag dat buurkinderen er met een mango of twee vandoor gaan, maar deze keer was het anders. Lees verder →

Dank aan iedereen die deze week voor Fanueli gebeden heeft. Gisteren en vandaag heb ik uitgebreid met Fanueli gesproken over hoe het gesprek met de bisschop is gegaan. Het was niet makkelijk. Woensdag moest Fanueli bij de bisschop in Arusha komen. Toen hij daar kwam bleek dat de bisschop hem niet persoonlijk wilde ontvangen. Fanueli moest maar aan zijn secretaris vertellen of hij de benoeming om stadsdominee te worden wilde aanvaarden, of niet. Natuurlijk wilde Fanueli graag met de bisschop zelf spreken, omdat dit niet draait om het wel of niet gehoorzamen van kerkelijk gezag, maar om God die hem duidelijk roept om zendeling in de dorpen te worden. Het gesprek met de bisschop zelf was nog  moeilijker. Hij wilde niets horen over persoonlijke roeping door God en over het verlangen om zendeling te worden. Hij ziet dit alleen maar als een poging om het gezag van de bisschop te ondermijnen. Zijn boodschap is heel duidelijk:  óf je doet wat ik zeg, óf je gaat maar je eigen weg (wat betekent: we willen je als kerk niet meer steunen).

Fanueli is een gebroken man. De druk die op hem uitgeoefend wordt is enorm groot en de beschuldiging dat hij geen gezag erkent raakt hem heel diep. Hij is ook diep geraakt doordat de bisschop blijkbaar de mogelijkheid bij voorbaat al uitsluit dat God zijn plan aan iemand persoonlijk kan duidelijk maken en iemand kan roepen voor een moeilijke zendingstaak. Juist nu Fanueli alle steun nodig heeft omdat hij op het punt staat om een moeilijke zendingstaak op zich te nemen, laat de kerk hem weten dat ze geen belangstelling heeft voor zendingswerk. Samen met Fanueli en zijn vrouw zijn we hier erg verdrietig over. Teleurstelling overheerst. Tegelijkertijd weet Fanueli zich geroepen, en voelt hij dat hij nu óf mensen óf God moet gehoorzamen. Vanmorgen vertelde hij mij dat hij en zijn vrouw samen uitgesproken hebben: ‘We moeten God meer gehoorzaam zijn dan mensen.’ Dit is geweldig moedig en een stap die veel geloof vraagt. Maar ze zijn bereid om de prijs te betalen.

Jullie snappen wel dat ik enorme teleurstelling voel, en tegelijkertijd bemoedigd ben door het geloof waarmee Fanueli en zijn vrouw God willen gehoorzamen. Laten we voor ze bidden, juist in deze weken waarin zoveel geestelijke strijd zichtbaar wordt. Laten we bidden om wijsheid. Het is heel goed mogelijk dat God Fanueli wil testen en dieper willen laten voelen wat zijn roeping betekent, om hem klaar te maken voor wat gaat komen. Het zou ook kunnen dat Fanueli misschien toch eerst maar in de stad moet beginnen (hoewel ik sterk twijfel of Fanueli zich aan het bestuur van een bisschop moet onderwerpen die niet wil luisteren naar wat God aan zijn kinderen duidelijk maakt). We weten het niet. Laten we daarom bidden om wijsheid, en dat God ook nu stap-voor-stap Fanueli leidt.

Dank jullie wel voor jullie gebed voor de rechtszitting afgelopen woensdag. God heeft geholpen! Om het samen te vatten: ’s Morgens vroeg al moest ik naar het politiebureau om de rechercheur op te halen. Ook hij was een getuige in deze zaak. Kort voor de zitting werden de politie-verklaringen van mij en onze bewaker voorgelezen, om de feiten weer helder op een rijtje te hebben (in de rechtszaak gaat het uiteraard om de feiten). Het was voor het eerst dat ik de verklaring van onze bewaker hoorde. In de verklaring geeft hij alles toe en legt uitgebreid uit hoe hij te werk is gegaan. Pijnlijk soms, maar geen grote verrassingen. Na deze instructie moesten we wachten tot de rechter klaar was voor de zitting. Dat duurde nog anderhalf uur. In die tussentijd was Daudi, onze bewaker, inmiddels ook gearriveeerd. In die anderhalf uur heb ik een uitgebreid gesprek met hem gehad. Dat was goed. We hebben opnieuw gesproken over het effect van wat hij heeft gedaan, voor mijn gezin en zijn familie en hemzelf. Hij vertelde mij dat hij 4 maanden in de hel van de gevangenis geleefd heeft. Daarna is hij op borgtocht vrijgelaten. Hij heeft een boot gebouwd om visser te worden en weer voor zijn gezin te zorgen. Hij benadrukte opnieuw hoeveel spijt hij heeft van wat hij heeft gedaan, en vroeg opnieuw om vergeving. Ik heb hem gezegd dat ik hem al vergeven heb, en geen enkele wrok koester. Of dit enig verschil zal maken in de uitkomst van de zaak is de vraag. De rechter zal – waarschijnlijk – op basis van de feiten een oordeel vellen, en dat kan zwaar uitvallen. Tijdens de zitting moest ik tegenover de rechter en twee assistenten de eed afleggen en zo’n 20 minuten lang vragen beantwoorden. De meeste vragen gingen over feiten (een enkele suggestieve vraag daargelaten), en ik kon telkens aansluiten bij hetgeen ik al eerder verklaard had. Dat maakte het eigenlijk vrij makkelijk, en ik kon alles goed volgen en helder uitleggen. Omdat rechtzaken ook hier publiek zijn, stonden er nogal wat mensen voor de ramen mee te luisteren. Aparte ervaring.

Deze foto is genomen bij de zaak die vóór die van ons behandeld werd. Je ziet hoe alles met interesse gevolgd wordt.

Hierna kreeg de inspecteur zijn termijn om te getuigen, en daarna Daudi om zich te verdedigen. Hij ontkende alles (dat is heel normaal tijdens een rechtzaak in Tanzania, ook al staat je vingerafdruk onder je eerdere verklaring bij de politie waarin je wel alles toegeeft, en ook al leg je even daarvoor de eed af met de slotzin ‘Moge God mij helpen om de waarheid te spreken’). De uitspraak volgt over een paar weken, maar daar hoef ik niet meer bij te zijn. Wat ons betreft is deze zaak nu over, en we mogen onze spullen weer gaan gebruiken. Het voelt alsof ‘een pak van ons hart’ is gevallen. Temeer ook omdat ik een goed gesprek met Daudi kon hebben, en vergelding nu erg onwaarschijnlijk lijkt. Het is goed om ons weer veilig te voelen, ook als we Daudi of familieleden ergens zouden tegenkomen (sommigen zijn echter verhuist, vanwege de schande). Blijf echter bidden voor Daudi en zijn gezin.

Het is toch weer even wennen om in Tanzania te zijn. De routine is er nog niet, en dat maakt dat we nog wel eens om onzelf moeten lachen deze dagen.

Wat is er nu meer routine dan tanden poetsen? Toch moest ik me vanmorgen vier keer vermanen om geen water uit de kraan te gebruiken. Na een paar maanden verlof is het zo gewoon: tandenborstel pakken, water erop (hoeft niet, doe ik toch), pasta erop, nog eens water erop (snap ook niet waarom ik dat trouwens doe), poetsen, spugen, mond spoelen met water, tandenborstel spoelen met water, en dan nog een naspuugje (gekke gewoonte trouwens).  Zowel tegen de kinderen als tegen onszelf preken we deze eerste dagen met veel overtuiging: GEEN WATER UIT DE KRAAN!!! Het zal wel een paar dagen duren voordat ook ik weer automatisch naar de fles met gefilterd water zal grijpen.

Bij de kinderen is het Swahili ver weg gezakt. Wij kunnen ons nog prima redden, maar het is wat minder vloeiend nog dan vóór ons verlof. Juist op momenten dat je spontaan reageert kan dat wel eens komisch uitpakken. Toen ik gisteren gegroet werd door iemand (met een volstrekt normale groet die ik van tevoren had kunnen zien aankomen), probeerden mijn hersens even om te schakelen naar het Swahili, maar dan ging niet helemaal goed blijkbaar. Er kwam een soort grommend gebrabbel uit m’n mond wat meer leek op het geluid van iemand die ’s morgens vroeg met een mond vol ‘goeiemorgen’ probeert te zeggen. Het klonk nergens naar. Geen idee wat de beste man gedacht heeft,  want dat wat het enige wat hij van mij gehoord heeft. Vanmiddag liep ik weg bij een bank waar ik een verkommerd restantje van onze Tanzaniaanse bankrekening opgenomen had (volgende week zijn we weer miljonair trouwens, in shillings!). Het was rond half 3 op de middag. Ik zag aankomen dat ik bij het oversteken mijn pad zou kruisen met iemand anders. Toen we elkaar bijna passeerden, riep deze vriendelijk mevrouw ‘Good morning!’ Opnieuw kortsluitinkje in m’n hoofd. Ik wist van goedigheid niets terug te zeggen. Wie verwacht er nu ook dat in Musoma iemand je midden op de dag in het Engels ‘Goede morgen’ wenst?!

Ook het auto-rijden in Tanzania is weer even wennen. Niet alleen dat we links rijden en het stuur aan de andere kant zit, maar ook weer hoe de ‘verkeersregels’ op straat werken. Iedereen heeft het recht om kuilen te ontwijken, en dat geeft een heel boeiend rijspel van goed naar elkaar kijken en aanvoelen wat de ander gaat doen. En hoe vaak ik al niet de ruitenwissers heb aangezet als ik richting aan wilde geven…

De hond die we bij ons vertrek uit Tanzania lief kwispelend achterlieten, ligt nu doodstil onder een bult zand op ons gazon (voor zover je daar ooit van kunt spreken in Tanzania). Gekke plek trouwens. Had het meer als een grasveld in gedachten, niet als een grafveld. We missen Trix. Een paar weken geleden heeft iemand ons een puppie gegeven. Een machtig lief beest, hoewel hij in niets op een waakhond lijkt (en dat moet toch eens z’n hobby gaan worden). De kinderen zijn nog erg bang voor, en Snuffie (want zo heet hij, dankzij al die boekjes van Nijntje in onze kast), niet minder voor de kinderen. Vanmiddag, toen de buurkinderen in grote getale bij ons kwamen spelen, was Snuffie verdwenen. Nergens te vinden, ook niet na 3x grondig de tuin doorzoeken. Hij is nog klein, nog maar zeven weken of zo, dus we waren haast bang dat hij uit angst afscheid van ons had genomen en met de staart tussen de benen ervandoor gegaan was. Maar zo waar, net toen we hem bijna opgegeven hadden, zagen we een natte neus in een donker hoekje dat volgepoot staat met varens. Een prima verstopplekje voor een waakhond! Maar goed, iedere bewaker is ook ooit baby geweest. Het komt best een keer goed. (ps. gelieve deze informatie over onze waakhond aan niemand in Musoma door te sturen).

Even na vijfen hebben we ‘de oude Simeon’ op bezoek gehad! Op de poort werd luid ‘hodi, hodi!’ geklopt door één van mijn vertalers, de grijze dominee Waynse. Hij kon niet wachten tot wij weer naar het vertaalcentrum zouden komen. Na een stevige omhelzing beende hij met grote stappen voor mij uit om Aron te bekijken. Dorien kwam net de gang in met Aron op haar arm. Hij werd even vriendelijk bejegend door onze sympatieke vriend, waarna hij zijn armen ten hemel spreidde (voor zover mogelijk in een gang van 1 meter breed) en een krachtig gebed uitsprak naar God om Aron te beschermen hier in Tanzania. Na het amen vertrok hij met dezelfde vaart weer naar buiten, omdat er op hem gewacht werd (ik ken geen Tanzaniaan die meer op de tijd let dan deze man). Kortom: een ware ‘Simeon-ontmoeting’.

Afgelopen vrijdag hielden we de eerste officiële discussie-dag met onze belangrijkste meelezers (‘reviewers’). We waren benieuwd hoeveel ze opgestoken hadden van onze training eind vorig jaar, en of mensen (op tijd) zouden komen opdagen. We werden positief verrast: al voor 9 uur ’s morgens waren we compleet met 8 meelezers, 2 vertalers en ik. Het werd een erg productieve dag met veel waardevolle adviezen. Een groot deel ervan hebben we overgenomen.

Lees verder →

Gisteren kwam onze bewaker ons roepen dat hij een slang gevangen had in het schuurtje. Het was een aardig beest. De voorlopige slangenoogst in onze tuin: vier.

Als je aan bijbelvertaalwerk denkt, dan denk je toch vooral aan woorden, niet zozeer aan plaatjes. En als we al aan plaatjes denken, dan is het toch vooral dat ze ter verfraaiing zijn bedoeld. In ieder geval zijn ze lang niet zo belangrijk als de woorden van de bijbeltekst zelf…

Kameel door het oog van een naald

Dat laatste mag dan waar zijn, maar toch is het kiezen van de juiste illustraties een heel belangrijke stap. Afgelopen week werd ik me daar nog eens diep van bewust. In onze uitgaves van het Lukas-Evangelie zullen we, naast een landkaart van Israel, zo’n 12 illustraties verwerken. De vraag is dan: welke? We hebben ervoor gekozen om vooral afbeeldingen te kiezen van dingen of gebeurtenissen die in deze culturen (voor velen) onbekend zijn. Soms kun je een onbekend begrip in de vertaling zelf niet goed uitleggen. Neem als voorbeeld de tekst waarin de vergelijking wordt gemaakt tussen “een kameel die door het oog van een naald kruipt” en “een rijk iemand die het het koninkrijk van God binnengaat.” Tijdens onze vertaalcontroles constateerden we Lees verder →

Een van de meest waardevolle dingen van ons leven hier in Tanzania is het hebben van vriendschappen, vooral met Tanzanianen. Tegelijkertijd realiseerde ik me dit weekend heel sterk: dit levert voor mij ook meteen de meest moeilijke vragen op, over hoe ik een vriend kan zijn in een situatie waar iedereen tekort heeft. Het gebrek is groot, daar hoeft niemand van overtuigd te worden als je hier woont, de vraag is hoe je er op reageert. En dat blijft moeilijk. Hieronder een impressie van drie bezoekjes tijdens dit weekend.

Vrijdagmorgen komt een bewaker van ons vertaalkantoor naar mij toe. Hij legt mij uit: “Vorige maand is mijn vrouw bevallen van een kind (nr. 7), ze woont sindsdien bij haar ouders in een dorpje zo’n 25 km buiten Musoma, ze wil graag naar huis, maar we hebben geen geld voor een taxi. Sasa, utasaidiaje? Nou, hoe ga je me helpen?” Ik moest er even om lachen. De vraag was niet of ik wilde helpen, maar hoe ik hem zou helpen. Ik bood hem aan om zijn familie de volgende morgen op te halen met onze auto. Ik kon natuurlijk wel aan zien komen dat dit niet even een kwestie van ophalen en wegbrengen zou worden. Er moeten relaties gebouwd worden, en daar hoort van alles bij. Natuurlijk chai, de mierzoete thee waar ik tegenwoordig waarempel dol op ben. En het aanhoren van de hele familiegeschiedenis, inclusief alle ziektes, sterfgevallen en problemen van alle dag. Dan komt natuurlijk het salaris aan bod, dat volstrekt ontoereikend is om een hele familie in leven te houden en de kinderen naar school te sturen. En terecht, daar hoef je geen wiskundige voor te zijn. Je ziet de kinderen voor je, en weet dat ze waarschijnlijk nooit de kans zullen krijgen om goede scholing te krijgen, met alle gevolgen van dien (ik vroeg een van zijn dochters met hoeveel studenten ze in haar klas zat, 145 zei ze…). Na een uurtje of 2 vertrokken we met moeder en kind en nog twee jochies, waarvan eentje bij mij op schoot mocht sturen. Hij was drukker om te kijken of z’n buurjongetjes hem wel zagen zitten, dan om fietsers te ontwijken, maar dat zij hem vergeven (zou ik waarschijnlijk ook gedaan hebben). Na een flesje cola (het is een algemeen bekend gerucht dat je mij niet zonder cola kunt wegsturen) ging ik weer naar huis, nadenkend over deze familie. Moeilijk. Zouden wij hen op een of andere manier kunnen helpen?

’s Middags ging ik even naar de lokale markt om groente en fuit te kopen, en om iemand te bezoeken waar ik een beetje bevriend mee ben geraakt. Het is iemand uit de Simbiti-stam, die woont in een van de dorpen die tegen de stad zijn aangegroeid. Ik had hem vorige week beloofd dat ik hem een keer thuis zou bezoeken. Zaterdag moest het er maar van komen. Voordat hij zijn groentestalletje overdroeg aan de buurvrouw, vroeg hij wat ik lekkerder vond: rijst of ugali. Dat is geen moeilijke vraag: rijst! En of ik vis luste? Altijd! Weet je tenminste dat je niet hoeft te kauwen op halfgaar vlees (dit dacht ik zachtop). Ik werd allerhartelijkst ontvangen, voor het eerst een blanke op bezoek. Zo’n twintig kinderen uit de buurt kwamen de auto inspecteren (al was hij de week ervoor al door de APK gekomen), en werden om de 4 minuten door mijn gastheer Alois kwasi boos weggejaagd. In de schaduw van een sinaasappelboom wisselden we onze verhalen uit, over onze families, over Nederland, over de Simbiti-geschiedenis, over voetbal, en…. over wat er vorig jaar is gebeurd. Misschien herinnert u zich nog ons verhaal over hoe onze muur en poort waren ingestort na een tropische regenbui. Op die dag gebeurde er in dit gezin iets heel ergs. Iedereen lag te slapen, terwijl de regen het fundament onder het huis aan het wegspoelen was. Opeens zakte de helft van het huis in. Een klein kind was op slag dood, twee anderen zwaargewond. Die twee laatsten zijn er weer bovenop, het jongste kind ligt begraven in de tuin. Het halve huis staat er nog, de open muur dichtgemetseld, het dak onderstut met een zware balk. De vader vertelt het eerlijk: “Als het zo hard regent, dan slapen we niet echt meer. Niet in dit huis.” Op een andere plek vlak bij is hij een nieuw huis aan het bouwen. Het fundament ligt er, steviger dan je doorgaans ziet. Het is geen vraag waarom. Deze man heeft gezien welke prijs een slecht gebouwd huis kan hebben, een pijnlijke les. Ik begrijp helemaal waarom dit gezin graag in een goed huis wil wonen, en dat het moeilijk is als je niet verder kunt met bouwen omdat al je geld op gaat aan de allerdaagse uitgaven. Het afbouwen van dit huis kan nog wel 10 jaar duren; dat is 10 regenseizoenen. Moeilijk. Ondertussen stel ik me opnieuw de vraag: Zouden wij hen op de een of andere manier kunnen helpen? De vrouw van Alois kookte een voortreffelijke maaltijd voor ons (ik vond het werkelijk verrukkelijk): verse rijst met perfecte vis en een lekker sausje. Ik heb gegeten als een Afrikaan (twee dikke borden vol, zodat zelfs mijn gastheer niet bleef aandringen toen ik zei dat ik echt vol zat)!

Zondagmiddag gingen we met z’n alles op bezoek bij Mama Naomi, de vrouw die elke morgen bij ons thuis komt om voor Elisa te zorgen. Ze woont in een klein huisje ergens in Musoma, samen met haar 2 kinderen, en tijdelijk nog wat gasten. Het is een allerhartelijkst en lief mens, en we waarderen haar erg. Dorien helpt haar structureel om geld opzij te leggen voor het betalen van de huur en om alles rond te krijgen. Sinds vorig jaar helpen we ook haar dochtertje Naomi, zodat ze naar school kan gaan. Mamo Naomi zelf zit nu op naailes, zodat ze straks zelfstandig kan rondkomen als haar werk bij ons erop zit (wanneer Elisa ook naar school gaat). Op verschillende manieren kunnen we dit gezin zo helpen, hopelijk voor de langere termijn. Michaja en Elisa vinden het leuk om weer met hun oude vriendinnetje te kunnen spelen.

Mama Naomi gaat met Dorien een traditioneel Tanzaniaanse maaltijd koken: ugali (basisvoedsel), okra (soort groene groente), dagaa (soort kleine visjes) en een vissausje. Hoewel we geen enorme fans zijn van ugali, was alles met elkaar toch erg lekker. Vooral Michaja en Elisa zijn er dol op (omdat ze dit vaak bij de buren eten).

Het samen eten is erg belangrijk. In deze cultuur laat het zien dat je vrienden bent. Dat we dit weekend zo verschillende keren Afrikaans hebben gegeten herinnert ons aan iets heel speciaals: we hebben vrienden!